Streven naar het einde van angst en dreiging

Theo van Gogh, Job Cohen, Geert Wilders, Bram Moszkowicz en een Joodse hasjhandelaar zijn de personages in Leon de Winters nieuwe roman VSV. Het duizelt je van de dwarsverbanden en je blijft achter met het ultieme talkshowgevoel.

Leon de Winter: VSV. De Bezige Bij, 432 blz. € 19,90

Je verwacht ze eerder aan tafel in de zoveelste zielloze aflevering van Pauw en Witteman dan in een roman: Theo van Gogh, Leon de Winter, Bram Moszkowicz, Job Cohen, Piet Hein Donner, een onderwereldfiguur en een mooie vrouw. En nog lang na het dichtslaan van VSV vraag je je af wat Leon de Winter nu precies in gedachten had toen hij deze merkwaardige parade van publieke figuren in zijn nieuwe roman (ook met bijrollen voor Mohammed B., Geert Wilders en Eva Jinek) liet opdraven.

Om met het goede nieuws te beginnen: het resultaat is best spannend, ook al dankzij de verhaaltechnische paardenmiddelen die De Winter gebruikt. Zo laat hij het Amsterdamse Muziektheater opblazen, wordt er een vliegtuig gekaapt en een school gegijzeld terwijl je je tussen de bedrijven door ook nog afvraagt hoe het precies zat met die zoon van de hasjhandelaar en de nakomelingen van de Franciscaner priester. Subtiliteit – de laatste jaren toch al niet De Winters ding – is ver te zoeken, maar het is onmiskenbaar het soort gedoe waarvan je wel even wil weten hoe het afloopt.

De voornaamste verhaallijn is die van Max Kohn een hasjhandelaar (type Holleeder, maar dan Joods) die meent een nieuw mens geworden te zijn nu hij een transplantatie heeft ondergaan en door het leven gaat met het hart van een Franciscaner. Die, zo blijkt later, de minnaar is geweest van de grote liefde uit Kohns leven. Deze vrouw, Sonja, heeft inmiddels een verhouding met de schrijver Leon de Winter – een figuur die veel, maar niet alles met zijn schepper gemeen heeft. Kohn gaat naar Amsterdam omdat hij Sonja terug wil, hij weet dan nog niet eens dat hij weet dat hij de vader is van haar kind.

Daar beraamt inmiddels de zoon van Kohns oude hitman een reeks aanslagen met vrienden uit Amsterdam-West. Die zullen Job Cohen, in VSV nog gewoon burgemeester van Amsterdam, een prominente rol in het verhaal geven: zijn verleden blijkt dan ook nog met dat van Max Kohn verknoopt te zijn. Voor wie het nu al duizelt: dit is nog niet eens de helft van de dwarsverbanden waarmee De Winter zijn personages – vrijwel allemaal mannen en mannetjes – aan elkaar verbindt.

Alles wordt ‘van boven’ gadegeslagen door Theo van Gogh. De roman begint met een vreemde maar indringende beschrijving van de moord op de filmmaker op 2 november 2004. Na zijn dood verblijft Van Gogh jarenlang als een hoofd zonder lichaam in een soort vagevuur, niet ongeestig ‘de intake’ genoemd. Dan krijgt hij te horen dat hij zijn lichaam kan terugverdienen door op te treden als beschermengel van Max Kohn.

De prominente rol van Van Gogh geeft VSV in historische en morele zin iets pikants. Theo van Gogh was immers degene die Leon de Winter jarenlang geselde met tirades die een echte antisemiet hem niet verbeterd zou hebben. Zijn hoofdverwijt aan De Winter was daarbij dat die het Joodse leed uit de Tweede Wereldoorlog ‘uitventte’. Daar komt dan nu dus het uitventen van Theo van Gogh bij, constateert De Winter in de roman zelf.

Door Van Gogh zo prominent in zijn roman op de voeren neemt De Winter resoluut het laatste woord in hun conflict, op het moment dat de ander niets meer terug kan zeggen. Alle gelegenheid, kortom, voor een karaktermoord, voor wraak. Een gelegenheid zoals de Bijbelse David had, toen hij in de grot zat bij de slapende koning Saul – die geprobeerd had hem te doden – en uiteindelijk slechts zijn zwaard nam om een stuk van de mantel van zijn vijand te snijden.

Iets dergelijks doet De Winter: zijn portret van Van Gogh is genuanceerd, met oog voor het feit dat deze twee rechtse columnisten in hun opvattingen nogal wat gemeen hadden. En aan het eind van de roman gunt hij de fictieve Van Gogh zijn heling. Zo kun je De Winters portret van Van Gogh grootmoedig noemen – of in morele zin arrogant. Hoe dan ook is het bepaald ijdel om jezelf zo de Davidsrol toe te bedelen.

Intussen voegt de roman weinig toe aan het bestaande beeld van Theo van Gogh: het is dezelfde cocktail van provocatie, genotzucht, vaderliefde en cinematografisch professionalisme als altijd. Met als uitzondering de scherpste passage uit het hele boek: ‘Hij haatte de middelmatige mensheid. Waarom haatten de anderen zichzelf niet zo hevig als hij zichzelf haatte?’ Dáárvan had je nu graag gezien dat die de leidraad zou zijn van een echte zoektocht naar het binnenste van Theo van Gogh – dan maar een gijzelingetje minder.

De Winter blijft aan de buitenkant, zijn beschrijvingen van prominenten als Geert Wilders, Piet Hein Donner en Bram Moszkowicz zijn voetnoten bij wat we aan televisiekennis over deze mensen hebben. Bij Job Cohen toont de schrijver wat extra gif: de onkreukbare burgemeester blijkt in de roman een minnares te hebben en bovendien een verleden met drugshandelaar Max Kohn. Dat laatste geldt ook voor de romanfiguur ‘Leon de Winter’ – die met zelfspot is getekend. Zo is deze verlaten door zijn vrouw Jessica Durlacher. Hij was van plan om een roman over haar te schrijven maar heeft dat opgegeven ‘omdat zij toch sneller klaar is’.

Al die bordkartonnen personages lopen rond in een Amsterdam waarin de hysterie is gegroeid tot proporties van talkshowformaat. Net als in zijn vorige roman Het recht op terugkeer lijkt De Winter de angst als enig werkelijke motivatie van menselijk handelen te erkennen. Zoals Max Kohn in het begin van de roman zegt: ‘Het streven naar macht is het streven naar het einde van angst en het einde van dreiging.’

Bij de politici in de roman leidt dat tot een opportunisme dat de geloofwaardigheid van het verhaal weinig goed doet. Zeker aan het eind van VSV nemen de heren het ene merkwaardige besluit na het andere. Helemaal in de geest van het cynisme dat Theo van Gogh politici altijd toeschreef.

De Winter heeft lang over VSV gedaan. Aanvankelijk zou het boek drie jaar geleden al verschijnen – en de worsteling is enigszins aan het eindresultaat af te zien. Sommige verhaallijnen worden bruusk afgebroken. Er wordt halverwege een anekdote in vrijwel dezelfde bewoordingen voor de tweede manier verteld; of je krijgt plotseling een jeugdtrauma van minister Donner opgelepeld dat los staat van het grotere geheel.

Dat laat ook zien waar de grootste zwakte van VSV zit. Veel minder dan een geëngageerde roman is het boek de voortzetting van de columnistiek met andere middelen. Het verlangen van De Winter om van alles te beweren over zichzelf, Van Gogh en al die bekende mensen en hun rol in de actualiteit (tot en met speculaties over een overgang van presentator Eva Jinek naar Pauw en Witteman) zit het verhaal in de weg. Dus moet hij dat almaar vlottrekken met een nieuwe aanslag of een extra scheut vader-zoondrama. Zodat je aan het eind van het boek achterblijft met het ultieme talkshowgevoel: het was een dolle boel, maar of we nu veel wijzer zijn geworden?

    • Arjen Fortuin