Polen en Krakau zijn bezig het joodse verleden te ontdekken

Bijna zeventig jaar na de oorlog is er in Krakau weer joods leven te bespeuren. „Als ik vroeg of we joods waren, kwam er alleen een veelbetekenende blik.”

O ok in de oude joodse wijk rijden ze rond, de gidsen met hun overkapte elektrische wagentjes. Op de luifels worden de toeristische attracties van Krakau aangeprezen: Old Market, Jewish Quarter, Salt Mines, Auschwitz. De Holocaust moet hier concurreren met andere bezienswaardigheden.

Begin jaren negentig was Kazimierz nog een van de meest verwaarloosde delen van de stad. Toen regisseur Steven Spielberg naar Krakau kwam om Schindler’s List op te nemen, koos hij meteen voor deze wijk – hoewel het getto tijdens de oorlog aan de overkant van de rivier lag, in Podgórze. Intussen is er veel opgeknapt, en is Kazimierz een hippe uitgaansbuurt geworden, waar ook de buitenlandse toeristen steeds vaker worden gesignaleerd.

De buitenlanders voelen zich niet alleen aangetrokken tot de tientallen bars en cafés. De joodse geschiedenis van Kazimierz gaat terug tot de Middeleeuwen. Binnen een straal van vijfhonderd meter staan hier zeven historische synagogen. Op het Szerokaplein, voor het beroemde gebedshuis in Poolse renaissancestijl, verkoopt een stalletje keppeltjes en oorringen in de vorm van een Davidster.

Polen is bezig zijn joodse verleden te ontdekken. Tot voor kort stond dat verleden in het teken van de Endlösung en de vernietiging van bijna 3,5 miljoen Poolse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar de belangstelling van het joodse leven van vóór de oorlog groeit. In Krakau is zelfs sprake van een kleine joodse Renaissance. Bij het joodse gemeenschapscentrum aan de Miodowa-straat staan intussen vierhonderd mensen ingeschreven, vertelt de Amerikaanse directeur Jonathan Ornstein. „We zien hier nu voor het eerst weer iets van een actief joods leven ontstaan.”

Veel leden wisten tot voor kort niet eens dat ze een joodse achtergrond hadden.

De grootvader van Ishbel Szatrawska (31) verzweeg de identiteit van de familie. „Als ik vroeg of we misschien joods waren, dan kwam er geen antwoord. Alleen een veelbetekenende blik.”

Achteraf gezien waren de aanwijzingen talrijk. Maar pas na het overlijden van haar grootvader kwam de hele familiegeschiedenis boven water. Dat grootvader de oorlog had overleefd op een onderduikadres bij Vilnius. En dat hij nog in 1968 tijdelijk ontslagen werd, tijdens een ‘antizionistische’ campagne van het communistische regime.

Ishbel Szatrawska had al het Hebreeuws alfabet geleerd, en was gestopt met het eten van varkensvlees. Een tijd lang was ze religieus, voerde ze thuis een kosjere keuken, en werkte ze als assistente van de rabbijn. Dat doet ze nu niet meer. „Het joodse geloof draait heel erg om wetten, en heel weinig om spiritualiteit. En eigenlijk geloof ik niet in God.”

Intussen eet ze weer varkensvlees, lacht ze. „Omdat ik het lekker vind. En omdat het heel erg moeilijk is om in Polen géén varkensvlees te eten.” Dit neemt niet weg dat ze zichzelf nog steeds als joodse beschouwt. Om haar studie aan de filmacademie te financieren, werkt ze parttime bij het Joods Gemeenschapcentrum. Maar ook als ze er niet zou werken, zou ze iets met haar afkomst willen doen. „Ik voel me joods. De joodse cultuur is belangrijk voor mij.”

Tijdens een conferentie in Londen raadde een oudere heer haar aan om naar Israël te emigreren. „In Polen is er geen toekomst, zei hij streng. Maar ik spreek geen Hebreeuws en heb daar geen familie. En ik voel er niets voor om in een land te leven dat constant op de rand van oorlog leeft. Polen is mijn thuis.”