Lotus is de hel op aarde

Tony Morrison: Home. Alfred A. Knopf, 145 blz. € 24,-

Het lijkt erop dat Toni Morrison, die in 1993 als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de literatuur ontving en onlangs door president Obama werd onderscheiden met de Medal of Freedom, in Amerika boven alle kritiek is verheven. Haar recente roman Home wordt unaniem bejubeld, terwijl er heus wel het één en ander op aan te merken valt. Hoofdpersoon Frank Money bijvoorbeeld, een zwarte 24-jarige Korea-veteraan, is opgetrokken uit larmoyante clichés, terwijl ook de andere personages voornamelijk fungeren als boodschappers van het slechte nieuws over ernstige misstanden in Amerika.

Misschien is de positieve ontvangst van Morrisons tiende roman, een wrange variant op de parabel van de verloren zoon, een vorm van politieke correctheid. Op haar schokkende evocatie van het door de overheid gelegitimeerde racisme in het pre-burgerrechtentijdperk valt nu eenmaal niets af te dingen. Dus wie de beschrijvingen van de door en door racistische, repressieve samenleving in de McCarthy-episode clichématig noemt, riskeert het verwijt aan de foute kant te staan. Ook de rauwe getuigenissen van de Amerikaanse oorlogsmisdaden in de Korea-oorlog, waarvan de omvang pas tijdens het presidentschap van Clinton openbaar werd, raken nog een open zenuw.

Het nostalgische beeld van de jaren vijftig (‘Those were the days’) wordt door Morrisons hoofdpersoon aan flarden gescheurd. Korea was misdadig en verschrikkelijk is de boodschap, maar wat de geknakte Korea-veteraan terug in de VS aan mensonterend onrecht aantrof, was voor hem erger. Wie het Amerikaanse patriottisme zo durft te ontluisteren als de uit eigen ervaringen puttende Nobelprijswinnares roman na roman doet, verdient lof, maar het respect voor Morrisons moed zou kritiek op haar literaire werk niet in de weg mogen staan.

Roddelaars

Het is allemaal nogal moralistisch, zwaar moralistisch. Ook Home is weer een pleidooi voor family values en voor het opgaan in religieuze en andere traditionele verbanden, waarin individualisme geldt als egoïsme. Frank Money kan pas volledig mens worden als hij een ‘home’ vindt, een gemeenschap waarin hij kan wortelen. Dat die gemeenschap bestaat uit domme, geborneerde, godvrezende roddelaars, voor wie hij ooit met goede redenen op de loop ging, moet hij maar op de koop toenemen.

Home opent met een oud gedicht van Morrison. ‘Whose house is this’ luidt de beginregel. Direct daarna worden Frank Money en zijn jongere zusje Cee geïntroduceerd. Toen Frank vier was, werd hij samen met zijn familie en buren tijdens een bloedige lynchpartij uit hun huis in Texas verjaagd. Na een moeizame vlucht strijken ze neer in Lotus, een gat in Georgia, waar voor een opgroeiend kind ‘niets’ is ‘wat het waard maakt om voor te leven.’ Om uit dit verstikkende oord weg te komen, vlucht Frank met twee vrienden het leger in. De vrienden sneuvelen in Korea op het slagveld, waarvan Morrison afschrikwekkende taferelen schetst. Maar naar huis wil de ernstig getraumatiseerde Frank Money per se niet, want ‘Lotus is de ergste plaats ter wereld, erger dan welk slagveld ook.’

Na een jaar van zwerven, drinken, gokken en een kortstondige liefdesrelatie in Seattle, besluit Frank alsnog naar Lotus terug te keren, met de bedoeling zijn zusje Cee te redden uit de klauwen van een racistische gynaecoloog, een soort Mengele, die haar gebruikt voor levensbedreigende medische experimenten. Zijn odyssee dwars door de Verenigde Staten levert onthutsende tijdsbeelden op. De berooide, psychisch gestoorde ‘Korea-vet’ overleeft dankzij de solidariteit van zwarte dominees en hun kerkgangers. Die geven hem schoenen, geld voor bus en trein en adressen om onderweg te eten en te slapen. Om zich heen ziet hij hoe ook in het noorden, in steden als Portland en Chicago, zwarte mannen en vrouwen met grof geweld uit blanke territoria worden geweerd. Alsof er sinds de lynchpartijen waarvan hij in de jaren dertig in Texas getuige was, niets is veranderd.

Terug in Lotus moet Frank zijn op sterven na dode zusje onmiddellijk uitleveren aan bedillerige buurvrouwen, die Cee op traditionele wijze, met medicinale kruiden, gebeden en arbeidstherapie weten te genezen. Cee had als leergierig, intelligent kind zo’n hekel aan deze bekrompen, godvruchtige bemoeiallen dat ze op haar vijftiende naar Atlanta vluchtte met de eerste de beste ‘rat’ die bereid was haar mee te nemen. Nu is ze ineens vol lof over haar primitieve krengen van verzorgsters die ‘deden wat ze van hun moeders hadden geleerd tijdens de periode die rijke mensen de Depressie noemden maar die zij het leven noemden.’

Verachting

Frank en Cee Money betrekken in Lotus het huis van hun overleden ouders en vinden hun plaats in de gemeenschap waarvoor ze eerder alleen maar verachting en weerzin voelden. Morrison beschrijft hun terugkeer naar dit thuis als een miraculeus helingsproces. Het mierzoete einde verminkt Morrisons inktzwarte sprookje. Het verhaal wordt enigszins gered door de originele vorm en de kracht van Morrisons beschrijvingen. In korte cursiefjes voor elk hoofdstuk levert een stem, meestal die van Frank, commentaar op de aanpak van de schrijfster. Frank daagt haar uit woorden te vinden voor het onzegbare, hij doet haar ook een vreselijke bekentenis over wat hij in Korea met een even weerloos meisje als zijn zusje heeft gedaan.

De cursiefjes geven reliëf en betekenis. Morrisons met veel slang doorspekte, spreektalige stijl is symbolisch geladen, vlijmscherp en direct. Haar aanklacht tegen de Verenigde Staten van de jaren vijftig is kennelijk zo confronterend dat Amerikaanse recensenten de neiging voelen zich als het ware voor het recente verleden te excuseren. Ze prijzen Tony Morrison omdat zij in deze roman Amerikanen wijst op hun medeverantwoordelijkheid voor de geschiedenis van het land dat ze hun ‘home’ noemen.

    • Elsbeth Etty