Kom weer in je lichaam geloven

Bernard Wesselings eerste, bekroonde bundel openbaarde dreunende toon. De branie van weleer maakte plaats voor berustende melancholie. Voor een herijking van het eigen ik.

Marenne Terlingen: ‘Binnenstebuiten’ (2011), papier uit papier (22 bij 16 cm) Foto Pieter Vandermeer

Bernard Wesseling: Naar de daken. Querido, 45 blz. € 17,95

In 2007 kreeg Bernard Wesseling de Buddingh’-prijs voor zijn debuutbundel Focus. Die bekroning verbaasde mij omdat ik minstens twee van de drie andere genomineerden veel betere dichters vond. Wesselings poëzie kenmerkte zich door een dreunende toon die pagina’s voortging. Maar hoe zwaar de toonzetting ook was, de tekst vervloog onmiddellijk na lezing. Zo gewichtig als de verstitels waren, zo al te vlot babbelend vond ik de inhoud.

Zes jaar na zijn poëtische eersteling (Wesseling schreef ook twee romans) is er nu een nieuwe bundel. De maker van Focus is daarin nog wel herkenbaar, maar de branie van die bundel heeft in Naar de daken plaatsgemaakt voor een berustende melancholie. De bundel heeft twee afdelingen. In de eerste veertien verzen overheersen gevoelens van rouw, in de rest van de bundel wordt de confrontatie met ‘de wind door het knokenhuis’ in principe strijdvaardig aangegaan.

Als dichter is Wesseling geen zanger. Zijn stijl is veeleer verhalend dan lyrisch; maar zijn metaforen zijn absoluut poëtisch, en bij tijden ook aforistisch. De verteller neemt, zeker in de eerste afdeling, soms ruimschoots de tijd om ter zake te komen. ‘Leidsman’ heet een vers over een nabije overledene (Wesselings vader?). De slotregels verbeelden kwetsbaar de laatste ontmoeting tussen dode en nabestaande, maar daarvoor is een aanloop nodig. Die aanloop wordt in de eerste versregels treffend ingezet met ‘Voorlopig zit het hem in de snit: / een leerling zonder meester draag ik zijn kleren af, / de kleren van een afgelegde.’

In andere verzen krijgt de rouw bij Wesseling aforistische overwegingen toegedicht. ‘Wat je ook doet, / zorg dat je weer in het lichaam komt te geloven,’ schrijft hij dan, en ‘’s ochtends als ik wakker word, verbaast mij dat. / Zo begint de dag met een herovering van wie ik was’. In zulke regels is rouw vooral ook een herijking van het eigen ik. En daarbij hoort een herbezinning op het geloof. Wesseling doet daar in drie gedichten expliciet verslag van – aanvankelijk met een knipoog, ten slotte met een onwennig gebed. De knipoog betreft het bezoek van twee Jehovagetuigen. Maar dat bezoek is slechts inleiding tot een confrontatie met de tijd.

Toen ze weg waren haalde ik de eerste klassenfoto uit mijn zak

en bekeek de bende kleine wilden met de ongeoefende blik,

de kleren die ons waren aangedaan. Ja, die van toen

alleen pleisterbil het moeilijk had.

Het tikken van de klok

had zich voorgoed op de voorgrond geplaatst.

De dreiging van het uurwerk wordt in de tweede afdeling van Naar de daken met branie bezworen. Dan krijgt de ‘hijgerige artiest’ het woord en is ‘Niets zo mooi als de verwoesting van een stad’. Wesseling lijkt zich hier los te zingen van de rouw, maar bezinning en berusting blijven opnieuw niet uit. ‘Etiquette voor een stervende’ heet een gedicht, en het vers erna verwoordt de ‘Etiquette voor een toekomstige nabestaande’, want het einde is nabij. ‘Berust,’ dicht Wesseling, ‘liever in het feit / dat de Grote Gelijktrekker je in zijn achterhoofd heeft. / In iedere deling rekent hij je mee.’

Berusting is ook onderwerp in de magistrale metafoor van ‘Een nieuw gebaar’.

Sinds ik, in navolging van oudere mannen, met mijn handen

op mijn rug loop, grijp ik minder aan

en word ik minder aangegrepen.

Nu snap ik dat om minder te hoeven vragen, de handen

elkaar moeten dragen. Het gebaar heft zichzelf simpelweg op.

Er gewoon maar wat bij staan gaat me eindelijk goed af.

Geportretteerde vrouwen op oude schilderijen met hun lelieblanke

makjes in de schoot niet meegerekend, is dit voor zover ik weet het

enige gangbare gebaar waarbij de handen elkaar ruggelings dragen,

in mijn geval rechts meestal in de kom van links.

Zodoende begeef ik me naar buiten.

Mijn romp trotseert al. Boegbeeld ben ik, vers onthuld.

Nu en dan beweeg ik ze even, mijn handen, alsof ik me verzeker

van een ontbrekend voorsteven.

Ja, men begint het te leren: die pakt niets aan en niets hem.

De opbouw van dit gedicht is kenmerkend voor Wesselings parlando. Hier wordt schijnbaar gewoonweg gepraat, maar intussen ook heel wat verwerkt en afgedicht.

Het grote verschil met de poëzie in Focus is dat Bernard Wesseling ons in Naar de daken een blik in zijn spiegel gunt en daarbij zelf niet uit beeld blijft. Belangrijk is ook dat de dichter zich niet meer overschreeuwt. In het slotvers biedt hij, elliptisch terugblikkend naar het begin van de bundel, een laatste, intiem inzicht in zijn rouwrelatie. ‘De studeerkamer’ heet dat gedicht. De openingsregels staan model voor de metaforische stijl van Naar de daken: ‘Het beste uitzicht dat ik ken / moet door hem het meest zijn bekeken’. Dat is uiterst indirect, maar ook uiterst doeltreffend.

    • Arie van den Berg