Huichelen tot je er bij neervalt

De kunstenaar Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) was de onbetwiste koning van de barok. Zijn eerste Engelstalige biograaf schetst zijn succesrijke leven tussen pausen.

Gian Lorenzo Bernini: Zelfportret, circa 1623

Franco Mormando: Bernini. His life and his Rome. University of Chicago Press, 429 blz. € 34,-

Vijftien jaar voor hij overleed voorspelde Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) het zelf: al gauw na zijn dood zou zijn ster verbleken en ten slotte zou hij, de ‘Michelangelo van de 17de eeuw’, worden vergeten. Het ging zelfs nog sneller, zo laat de Amerikaan Franco Mormando zien in de eerste (en excellente) Engelstalige biografie van Bernini. Al in de laatste tien jaar van zijn leven raakte zijn werk uit de gratie. In zijn Levens van moderne schilders, beeldhouwers en architecten (1672), over Romeinse kunstenaars, noemde kunsthistoricus Bellori hem niet eens.

De glorietijd van de barok, met Bernini als onbetwiste koning, was voorbij, schrijft Mormando, hoogleraar Italiaans aan het Boston College. Bernini kreeg in de laatste tien jaar van zijn leven nog wel opdrachten, maar het Vaticaan was bijna bankroet en kon geen kolossale werken als het baldakijn in de Sint-Pieter betalen.

Na de dood van Bernini maakte de theatrale barok plaats voor het koele neoclassicisme, schrijft Mormando, en werd Bernini’s werk beschouwd als ‘intellectueel leeg, moreel decadent, psychologisch ongezond en weerzinwekkend lelijk.’ De slechte reputatie van Bernini zou ruim 250 jaar duren: pas ver in de tweede helft van de 20ste eeuw werd zijn werk geherwaardeerd. Een van de laatste blijken hiervan is de vorig jaar verschenen geschiedenis van Rome van de Australische kunstcriticus Robert Hughes. In Rome (besproken in Boeken, 22.07.11) plaatst Hughes ‘de marmeren megafoon van de pauselijke orthodoxie’, zoals hij Bernini noemt, zonder aarzelen in het rijtje grote Renaissance-kunstenaars Donatello, Rafaël en Michelangelo. Bernini’s baldakijn noemt hij de eerste versmelting van beeldhouwkunst en architectuur en de door Bernini ontworpen colonnade van de Sint-Pieter ‘het grootste antropomorfische gebaar in de geschiedenis van de architectuur’. Over het verwijt dat Bernini’s barok vol effectbejag, onwaarachtig en zelfs leugenachtig was, is Hughes kort: ‘Natuurlijk, maar kunst is altijd een leugen – een leugen in dienst van de waarheid.’

Acht pausen

Ook voor Mormando staat de grootsheid van Bernini’s werk buiten kijf. Hij wijdt er daarom vrij weinig woorden aan. Des te meer aandacht besteedt hij aan Bernini’s leven en dat van zijn belangrijkste opdrachtgevers, de acht pausen die hij als kunstenaar meemaakte.

Bernini leefde zoals het barokkunstenaar betaamt: groots en meeslepend. Hij was een wonderkind, dat al op 22-jarige leeftijd het onovertroffen beeld Daphne en Apollo maakte, met Daphnes marmeren vingers die veranderen in takken. Vele wervelende beelden, fonteinen en gebouwen volgden. Zelf was Bernini slechts over één werk helemaal tevreden: de kerk Sant’ Andrea al Quirinale in Rome.

Op de laatste tien jaar van zijn leven na was Bernini verreweg de belangrijkste kunstenaar in Rome, en dus van de hele westerse wereld. Weliswaar had hij rivalen, zoals de Romeinse architect Francesco Borromini, maar hij wist bijna alle belangrijke officiële functies in kunst en architectuur naar zich toe te trekken. Hierdoor werd de workaholic Bernini, die zijn werkplaats en vele medewerkers als een despoot bestierde, het tegendeel van de romantische, miskende kunstenaar. Hij werd multimiljonair en liet bij zijn overlijden een vermogen van omgerekend 11 miljoen euro na.

Behalve aan zijn talent dankte Bernini zijn immense succes aan de goede relaties die hij in de politieke slangenkuil van het Vaticaan met alle achtereenvolgende pausen onderhield. Maar met de Franse koning Lodewijk XIV, voor wie hij in 1665 een paar maanden werkte, wist hij zich niet goed raad. Met Lodewijks minister Colbert kon hij niet goed opschieten, hij haatte Frankrijk en hij miste in Parijs zijn vrouw en zeven kinderen.

De belangrijkste eigenschap die een Romein in de baroktijd moest hebben om succes te hebben, was huichelachtigheid, legt Mormando uit in Bernini, dat niet alleen een biografie is maar ook een portret van 17de-eeuws Rome. Een barokke Romein zei nooit wat hij echt vond. Zo vertelt Mormando wat Bernini eens over een in zijn ogen volstrekt mislukte koepelschildering. Toen de trotse opdrachtgever vroeg wat hij ervan vond, sprak Bernini: ‘Het werk spreekt voor zichzelf.’

Maîtresse

Wie talent had en goed kon huichelen, kwam in het 17de-eeuwse Rome met heel veel weg. Nadat Bernini zijn maîtresse, de echtgenote van een medewerker, had betrapt met zijn oudere broer Luigi, wilde hij hem vermoorden. Met het zwaard in de hand achtervolgde Gian Lorenzo zijn broer brullend door de straten van Rome. Die vluchtte ten slotte de Santa Maria Maggiore in, maar deze basiliek was niet heilig voor Bernini. Woedend trapte hij er deuren in en hakte hij er doeken aan stukken. Uiteindelijk wist Luigi te ontkomen. Vervolgens gaf Bernini een bediende de opdracht om het gezicht van zijn maîtresse met een mes te verminken. Die werd hiervoor gestraft met verbanning uit Rome; Bernini werd veroordeeld tot een boete van 3.000 scudi die hem ten slotte door Paus Urbanus VII werd kwijtgescholden.

Van zulke sappige verhalen wemelt het in Bernini, niet alleen over Bernini zelf en zijn broer Luigi, die later nog een straf wegens verkrachting van een jongen wist te ontlopen, maar ook over de acht pausen die, op een enkele uitzondering na, corrupt waren, geld over de balk smeten, zinloze oorlogen voerden en hun homoseksuele neven bevorderden tot kardinaal.

Tussen alle prachtverhalen door ontzenuwt Mormando een paar hardnekkige mythes over het werk van Bernini. Zo blijkt er weinig waar van het tot op de dag van vandaag herhaalde verhaal dat hij voor het baldakijn in de Sint-Pieter de bronzen dakbedekking van het Pantheon, het gaafste gebouw uit de Oudheid in Rome, liet omsmelten. Bernini kreeg slechts 1,8 procent van het brons van het Pantheon aangeboden voor het baldakijn, maar gebruikte het uiteindelijk niet, omdat hij de samenstelling van het antieke brons niet vertrouwde. Met de barokke, aan Bernini toegeschreven torens die het Pantheon in de 17de eeuw ontsierden, had hij zelfs helemaal niets te maken.

Van de beschuldiging dat de barsten in de koepel van de Sint-Pieter waren ontstaan door zijn ingrepen in de kerk, werd Bernini al aan het einde van zijn leven vrijgepleit. Tientallen jaren had deze beschuldiging hem achtervolgd, maar uiteindelijk stelden pauselijke onderzoekers vast dat hem niets te verwijten viel. Lang heeft Bernini niet kunnen genieten van zijn vrijspraak. Drie dagen na de publicatie van het rapport in 1680 kreeg hij een beroerte. Twee weken later was hij dood.