Haast met Spinoza's Ethica

Een nieuwe, snel geproduceerde vertaling van Spinoza’s Ethica is gebaseerd op een tot dan toe onbekend handschrift dat in 2011 in de Vaticaanse bibliotheek werd ontdekt. Komen we nu dichter bij Spinoza’s eigen woorden?

31-12-2002, Rotterdam. Portret Spinoza aan een gebouw langs de Spinozaweg in Rotterdam. FOTO BAS CZERWINSKI

Spinoza: Ethica Vertaald door Corinna Vermeulen. Boom, 317 blz., € 39,90

In mei 2011 bracht deze krant spectaculair nieuws voor Spinozafans: in de bibliotheek van het Vaticaan was een handschrift van Spinoza’s Ethica ontdekt, dat ouder was dan alle tot dusver bekende edities. Hoe dit handschrift in het Vaticaan is beland, is een verhaal vol thrillerachtige elementen. Spinoza liet zijn vertrouweling Pieter van Gent voor zijn vrienden een aantal afschriften van zijn tekst maken. De Duitser Ehrenfried Walther Tschirnhaus kreeg een exemplaar in handen, maar gaf dat, in strijd met Spinoza’s uitdrukkelijke verzoek, door aan een derde, namelijk de Deense katholieke bekeerling Niels Stensen. Die was in zijn nieuw verworven geloofsijver druk bezig met pogingen om protestanten en anderen terug te brengen tot de schoot van de moederkerk, en deponeerde zijn exemplaar in september 1677 bij de Inquisitie in Rome, tegelijk met een aanklacht tegen Spinoza (1632-1677) wegens de gevaarlijke ketterse doctrines die zijn boek zou bevatten.

Een manuscript vol ketterse kennis dat door katholieke geloofsijveraars wordt verdonkeremaand, en op last van de Inquisitie in het Vaticaan achter het kippegaas verdwijnt: Dan Brown of Umberto Eco had het niet beter kunnen verzinnen. ‘Dichter bij Spinoza kun je niet komen,’ constateerde de ontdekker, Leen Spruit, trots in een interview. Nog in 2011 publiceerde Spruit de Latijnse tekst van het Vaticaanhandschrift. Nu verschijnt daarvan de Nederlandse vertaling, door de uitgever trots aangeprezen als ‘gebaseerd op het verloren gewaande handschrift’. Dat wekt de suggestie dat deze versie dichter bij Spinoza’s eigen woorden staat, en dus dichter bij zijn filosofische intenties, dan de bestaande versies.

Het Vaticaanhandschrift, dat vermoedelijk dateert uit 1674 of 1675, is inderdaad ouder dan de Latijnse tekst in de Opera posthuma uit 1678, en de in hetzelfde jaar door Jan Hendriksz Glazemaker gemaakte Nederlandse vertaling in de Nagelate schriften; maar taalkundig staat het niet dichter bij de auteur. Van Gents afschrift is duidelijk haastwerk: naar het einde toe bevat het meer en meer verschrijvingen. Spruits uitgave ervan is eveneens in grote haast gemaakt: hij kreeg pas in december 2010 een pdf van de Latijnse tekst in handen, en publiceerde die al in het jaar daarop bij de Leidse uitgeverij Brill. Zijn transcriptie is echter niet vrij van fouten; evenmin biedt hij een volwaardige tekstkritische uitgave die dit handschrift systematisch vergelijkt met de vroegste gedrukte versies en met latere tekstcorrecties. Zo’n uitgave had vele jaren van filologisch puzzelwerk gekost. Ook Corinna Vermeulens Nederlandse vertaling van het Vaticaanhandschrift is, zo blijkt uit het nawoord, in een recordtempo tot stand gekomen.

Je vraagt je af waar al die haast voor nodig is. Spinoza zelf is tenslotte al meer dan driehonderd jaar dood, en heeft het niet nodig voor zijn publicatielijst, en zoveel kapers, die snel even een eigen teksteditie of vertaling van het Vaticaanhandschrift zouden kunnen publiceren, zijn er ook weer niet op de kust. Was de lezer – evenals Spinoza – niet meer gebaat geweest bij een rustiger en zorgvuldiger manier van produceren?

Mengelmoes

Ondanks dit tijdgebrek is Vermeulen er wonderwel in geslaagd Spinoza’s weerbarstige en dikwijls duistere Latijn om te zetten in leesbaar hedendaags Nederlands. De moeilijkheid van Spinoza’s proza heeft verschillende gronden. In de eerste plaats is zijn vocabulaire een ongemakkelijke mengelmoes van scholastische en moderne terminologie. In het voetspoor van vroegmoderne filosofen als Descartes en Hobbes verwerpt Spinoza centrale delen van de aristotelische en middeleeuwse scholastische filosofie. In de Ethica richt hij zich met name op Aristoteles’ notie van doeloorzaak, ofwel het natuurlijke doel of eindpunt van alle beweging of verandering. De moderne natuurfilosofie berust op het inzicht dat in de fysieke ruimte bewegende objecten geen natuurlijk eindpunt van beweging hebben, maar zich zuiver mechanisch voortbewegen. Spinoza radicaliseert dit punt door doeloorzaken in het algemeen af te wijzen, wat natuurlijk grote metafysische en theologische gevolgen heeft. Maar tegelijkertijd valt hij voortdurend terug op hetzelfde scholastische begrippenkader dat hij en zijn tijdgenoten zo resoluut van de hand wijzen. Daardoor ontstaat een spanning tussen de moderne en de voormoderne aspecten van zijn denken die hedendaagse lezers maar al te snel over het hoofd zien.

Een tweede oorzaak van Spinoza’s ontoegankelijkheid is de meetkundige methode van de Ethica. Op basis van precieze definities en axioma’s en van rigoureuze bewijsvoering probeert hij tot onweerlegbare conclusies aangaande ethische en metafysische kwesties te komen. Bij nader inzien blijkt hij deze meetkundige methode echter niet consequent te hanteren: allerlei voor zijn betoog centrale noties (waaronder het roemruchte onderscheid tussen natura naturans of ‘naturende natuur’ en natura naturata of ‘genatuurde natuur’) definieert hij niet of niet duidelijk, en soms gebruikt hij dezelfde term in verschillende betekenissen.

Duisterheid

Spinoza’s duisterheid heeft al tot menig misverstand geleid. Hij verwerpt het bijbelse idee van een god die buiten de schepping staat: zijn god is immanent aan de wereld, en volgens hem, blijkens zijn beroemde slogan deus sive natura zelfs identiek aan de natuur. Geen wonder dat Spinoza door zijn vijanden voor een atheïst werd aangezien. De misvatting dat Spinoza een atheïst was, ligt ook ten grondslag aan Jonathan Israels imposante en invloedrijke Radical Enlightenment (2000), dat Spinoza als de eerste echt moderne filosoof probeert af te schilderen.

Alleen al wegens het nog altijd fel omstreden karakter van Spinoza’s denken is een nieuwe Nederlandse vertaling, die probeert de Ethica toegankelijk te maken voor de lezers van nu, meer dan welkom: op alle bestaande vertalingen, zoals de inmiddels stokoude versie van Nico van Suchtelen (1915) en de recentere van Henri Krop (2002), valt wel het één en ander aan te merken. Maar zijn er doorslaggevende argumenten om zo’n vertaling te baseren op het Vaticaanhandschrift, in plaats van op de tekst van de Opera posthuma of – nog beter – op een stelselmatige vergelijking van de bestaande manuscripten en vroege tekstuitgaven?

In zijn nawoord betoogt redacteur Han van Ruler dat deze vertaling in zekere zin een nieuwe tekst van de Ethica behelst, die ons bovendien ‘dichter bij Spinoza brengt dan ooit tevoren’. Maar dat klopt niet helemaal. Van Gents tekst mag dan wel ouder zijn dan de Opera posthuma, ze is zeker niet beter, gezien de talrijke verschrijvingen erin; ook staat ze niet dichter bij het origineel dan de Opera: beide zijn rechtstreeks op Spinoza’s eigen tekst gebaseerd. Bovendien is het goed mogelijk dat in de Opera nog latere correcties van Spinoza zelf zijn verwerkt.

Ook filosofisch gezien lijkt Van Gents handschrift weinig grote verrassingen te bieden, al zullen de filosofen het daarover in de komende jaren nog eens moeten worden. Verreweg de meeste veranderingen in de Opera posthuma betreffen zaken als interpunctie, woordvolgorde en kleine grammaticale fouten. Die zijn niet alleen filosofisch gezien onbelangrijk, in vertaling verdwijnen ze zelfs helemaal uit zicht. Vermeulen vermeldt in voetnoten waar haar tekst van die van de Opera posthuma afwijkt. Tot radicaal verschillende doctrines lijkt dat nergens te leiden.

Er zijn dus filologische noch filosofische redenen om een vertaling zo nadrukkelijk op Van Gents handschrift te baseren. Impliciet onderkent de vertaler dat ook wel: in haar tekstkritische aantekeningen achterin deze uitgave vermeldt ze meer dan honderdvijftig problematische woorden en passages in het handschrift, waarbij ze vrijwel zonder uitzondering de voorkeur geeft aan de lezing van de Opera posthuma. Dat slaat de bodem weg onder de vooronderstelling dat het Vaticaanhandschrift een oorspronkelijker of authentiekere versie van de tekst zou bevatten.

De definitieve vertaling van de Ethica is dit dus niet; maar gezien de uitgaven waarop ze zich baseert, kan ze dat ook onmogelijk zijn. Het wachten is nu op een volledige tekstkritische editie, die ook de varianten van het Vaticaanhandschrift meeweegt, en op een daarop gebaseerde vertaling. Wellicht kunnen die ons nòg dichter bij Spinoza brengen.

    • Michiel Leezenberg