Gezondheidsplicht

Patiënten zijn duur. De zorg kost te veel. Dit staat bijna elke dag in de krant. Het moet maar eens afgelopen zijn met al dat ziek zijn. Voorzitter van de gezamenlijke psychiatrische instellingen Marleen Barth denkt dat mensen een stuk minder psychische problemen zouden hebben als ze „na het werk” zouden hardlopen en als ze „de fles” zouden laten staan.

Gezondheid is in haar ogen, en niet alleen in die van haar, ook een kwestie van eigen verantwoordelijkheid. Je hoeft niet ziek en zeker niet depressief te zijn als je dat niet wilt. Deze opvatting steekt steeds weer de kop op. Eind jaren tachtig en begin negentig was het een soort mantra. Toen had de „orenmaffia”, zoals Karin Spaink het zo treffend noemde, veel invloed. Dit waren mensen die geloofden dat je met de juiste instelling eigenlijk niet ziek hoefde te zijn. Het zat allemaal tussen de oren. Als je maar positief zou denken, in harmonie zou zijn met jezelf enzovoort, kon je jezelf genezen van bijna alles.

Aan dit soort denken hebben we nog steeds merkwaardige uitdrukkingen te danken als ‘het overwinnen’ van kanker – alsof mensen in een eerlijk gevecht met een vijand als sterkste uit de bus komen.

Vandaag de dag zit het allemaal wat minder tussen de oren. Nu komt het vooral aan op goed gedrag – veel sporten en gezond eten. Er gaan steeds vaker stemmen op die ‘risicogedrag’ willen beboeten. Rokers of dikkerds moeten meer betalen voor hun behandelingen.

Dit zijn geen onbegrijpelijke aanvechtingen in een wereld waarin we enerzijds vooral worden gezien als individuen – en onszelf ook graag zo zien – en anderzijds nooit ergens verantwoordelijk voor willen zijn. We zijn altijd het slachtoffer van iets of iemand die aangeklaagd en verantwoordelijk gehouden dient te worden.

Dit denken keert zich soms ook tegen de slachtoffers zelf. Ze zijn hun eigen fout. Over deze tijd zegt Heinrich Kramer: „Iedereen klaagde over hooikoorts, rugpijn en spijsverteringsproblemen en wilde slechts één ding: aandacht. Allerhande flauwiteiten werden beschouwd als ernstig te nemen gespreksonderwerpen. Doktersbezoeken werden een volkssport. De ziekte was voor de mensen het bewijs van hun bestaan – alsof ze niet in staat waren zichzelf te voelen zolang ze niets pijn deed!”

Kramer is een personage dat woont in een wereld die is ontstaan nadat we gezondheid tot een plicht hebben gemaakt, een wereld waarin dat sporten van Marleen Barth wordt afgedwongen, waar roken verboden is en zwaar wordt bestraft, waarin gebrek aan hygiëne een ernstige overtreding is, een smetvrije wereld. Deze wereld wordt beschreven in de roman Corpus Delicti van de Duitse schrijfster en juriste Julie Zeh.

Natuurlijk leiden dergelijke strenge voorschriften tot een nieuw soort geloof, het geloof in ‘de Methode’ die gezondheid garandeert. Zo’n geloof is net zo eng als al die andere geloven die we al hebben gehad. Een ideaal aan de macht is het verschrikkelijkste wat er is, maar deze boodschap kennen we al wel. Al lezende scheen het me toe dat het probleem eigenlijk iets heel anders is – niet dat we niet weten dat fanatiek geloof gevaarlijk is, en ook niet dat er veel onverantwoordelijk gedrag bestaat, of dat er persoonlijke moed nodig is om een systeem omver te werpen. Het probleem is dat we nergens meer in durven te geloven. Daarom praten we graag over de gevaren van geloof en idealisme. Het is niet zo dat deze gevaren er niet zijn, zeker wel, maar je moet geloof niet verwarren met fanatisme. Iedereen weet dat macht altijd moet worden gecontroleerd.

Er wordt geregeld gezegd dat wij op zoek zijn naar moraal en naar echtheid. Tegelijkertijd is niets erger uit de mode dan moralisme, dat wil zeggen: openlijk moralisme. Iedereen heeft het toch, zoals gebruikelijk, maar al te druk met het afkeuren van het gedrag van anderen die roken, bonussen opstrijken, gloeilampen gebruiken, kolen stoken, voor kernenergie zijn, vlees eten, religieus zijn, geen manieren hebben en wat niet al. Alle columnisten, ik doe het zelf ook, schrijven in zulke gevallen over ‘we’, maar bedoelen ‘ze’ – de anderen, de botteriken, de machthebbers, de materialisten, de domoren. Moralisme raakt nóóit uit de mode. Het vindt alleen steeds nieuwe omgangsvormen.

Ik zou niet meer willen geloven in grote systemen of woorden over het Goede en het Kwade. Ja, er is kwaad en ja, er is goed, maar er is vooral alledaags leven. Dit moet het eerder hebben van heel gewone deugden – van aardigheid, in de zin van vriendelijk, belangstellend en behulpzaam, van redelijkheid en van, vooruit, ik ben me nu toch belachelijk aan het maken, tevredenheid met wat je hebt, ook als het tegenzit en oh ja, geduld.

Hoe moet het dan met die gezondheid en die ziekte? Ach ja, heel gewoon en saai, zo’n verhaal van het midden, waarin redelijkheid en gezonde financiering hand in hand gaan, waarin ruimte is voor uitzonderingsgevallen, maar waarin men ook streng durft te zijn waar het nodig is.

Zolang we in gewone dingen geloven, komen we er wel uit.

    • Marjoleine de Vos