Een teer web over de wereld

Voor The Old Ways volgde de Britse natuurschrijver Robert Macfarlane oude paden op zoek naar de geschiedenis van het landschap. Wandelen als denken, schrijft Macfarlanes Nederlandse evenknie Kester Freriks.

Een wonderlijk spiegelland: schrijver Robert Macfarlane bewandelt de Broomway Foto David Quentin

Door elk landschap lopen sporen, getrokken door dieren en mensen. Een pad door een wild stuk land, langs akkers, weilanden en kliffen, door bergen of door het bos dat mensen volgen, is eeuwenoud. Langs al deze paden of wegen leven herinneringen aan vroeger. Een pad is er nooit ‘zomaar’. Er is geschiedenis mee verbonden.

Niet alleen over het land, ook door de zee en zelfs door getijdengebieden lopen paden. Ze zijn vaak onzichtbaar voor het menselijk oog. Zo zijn er walvisroutes en zeilwegen, verborgen onder de golven. In het Oudengels is zelfs sprake van swan-rads, zwanenwegen, de routes die deze vogels nemen over de meren.

Over de hele wereld, de continenten evengoed als de oceanen, is een netwerk van wegen gespannen. Dat lijkt een vanzelfsprekende waarneming, een gegeven waaraan we makkelijk voorbijgaan. Maar wanneer de Britse reisschrijver Robert Macfarlane (1976) in zijn nieuwste boek The Old Ways. A Journey on Foot een loflied houdt op ‘oude wegen’ in de breedste zin van het woord, geeft hij de gloed van het pas ontdekte aan dat wat zo vanzelfsprekend is.

Het boek begint met onrust. Op een winteravond raakt Macfarlane bevangen door ongedurigheid. Buiten sneeuwt het. Hij stapt het winterse landschap vlak bij zijn huis in Cambridge in en begint te wandelen langs een weg die hij allang kent. In de prille sneeuw ontdekt hij sporen van vogels en vossen. Hij verlaat de vertrouwde weg, wringt zich door een sleedoornhaag en volgt de hoefslag van een hert en komt terecht in een ‘surrealistisch landschap’.

Deze verwondering over het vreemde van het bekende landschap beschrijft Macfarlane zo overtuigend, dat de lezer meteen gewonnen is voor dit boek dat een samenstel is van avontuur, essay, loflied en reisverhaal. The Old Ways beschouwt hij als het derde deel van een betrekkelijk onsamenhangende trilogie.

Net als in de beide eerdere boeken, Hoogtekoorts (Mountains of the Mind, 2003) en het befaamde De laatste wildernis (The Wild Places, 2007), is Macfarlane op zoek naar het verband tussen ‘het landschap en het menselijk hart’. Hij behoort tot een generatie Britse natuur- en reisschrijvers die aan het genre een nieuwe wending geven. Al wandelend en struinend door het hedendaagse landschap zijn ze op zoek naar de historie van dat landschap, naar hoe dat land ooit onbewoond is geweest, maar geleidelijk door de mens werd betreden en bewoond werd.

Duizenden kilometers heeft Macfarlane afgelegd om dit boek te schrijven dat nooit geschreven had kunnen worden ‘by sitting still’ – door stil te blijven zitten, zoals hij laconiek meedeelt. Hij stelt zich ten doel de geesten en stemmen te onderzoeken die op oude paden rondwaren. Net als Bruce Chatwin in zijn meesterwerk De gezongen aarde (The Songlines, 1986) luistert hij naar wat een pad hem heeft te vertellen en speurt hij ‘naar de vreemde continenten die er binnen landen bestaan.’

Al die continenten, van kalklaag tot veengebied, van moeras tot gebergte, betreedt hij over heel veel soorten paden waarvan je het bestaan niet wist: lijkpaden, bedevaartspaden, veepaden, sluippaden, holle wegen, dreven, kreupelstraat, voorde, smokkelaarspad en zelfs wegeling ofwel een verbindingsweggetje tussen een boerderij en zeedijk. In de Himalaya volgt hij ijspaden ofwel bevroren rivieren. Lees Macfarlane en ontdek dat de hele wereld een pad is.

Macfarlane sluit aan bij de Engelse romantische dichters als Wordsworth en Shelley. Lopen, lopen, lopen, dat is het devies. En al lopend tot inzicht komen over de plek van de mens in het landschap en over de band die er bestaat tussen de mens en het landschap waarin hij zich bevindt. Betrok hij in De laatste wildernis nog de rafelranden van de stad bij zijn ontdekkingstochten, nu richt hij zich tot de ruige gebieden van Groot-Brittannië en ook daarbuiten, Palestina en Tibet.

Macfarlane is allesbehalve een in zichzelf gekeerd reiziger. Onderweg spreekt hij mensen aan. Hij komt erachter dat veel wandelaars lijden aan depressiviteit die van de fysieke beweging verlichting verwachten. Dit brengt hem bij de waarneming dat duizenden Britse soldaten die de hel van de Eerste Wereldoorlog, de Great War, overleefden in hun vaderland alleen troost en mentale genezing konden vinden door te wandelen. Leven ‘on the road’ was hun enige verlossing.

Geïnspireerd door deze observatie maakt Macfarlane een zinvol onderscheid tussen twee vormen van hedendaags wandelen. De eerste groep heeft een romantische inborst; zij wandelen vanwege het natuurschoon, de sensatie van vrijheid en om ver van de bewoonde wereld de ongereptheid van het landschap te ervaren. Macfarlane behoort tot deze groep, zoals hij toegeeft. Zijn boek ‘vertelt het verhaal van ruim duizend mijl wandelen over oude wegen, op zoek naar een route naar het verleden – met als resultaat dat ik telkens weer bij het heden uitkwam’.

De anderen zijn de zwervers, de bezitslozen, de vluchtelingen, de mensen die ergens in hun maatschappelijke leven gewond zijn geraakt en niets meer te maken willen hebben met de zogenaamde beschaafde wereld. Hij komt ze onderweg op een van de nauwelijks begaanbare wegen tegen, deze zwervers ofwel tramps, mannen die eruit zien als slaapwandelaars met wie hij grote compassie voelt.

Dat dit boek niet geschreven had kunnen worden door ‘stil te zitten’, geldt ook voor de lezer. Het nodigt uit tot ‘wandellezen’: boek opengeslagen in de hand, en de paden op. Macfarlanes schrijfstijl heeft bijna het ritme aangenomen van het lopen zelf. De zinnen bezitten een prachtige cadans, zijn woordkeus is altijd trefzeker en zijn methode is aanstekelijk.

Macfarlanes rusteloosheid schuilt niet in zijn Wanderlust alleen, hij is ook een reiziger door de tijd. Dit laat zich fraai illustreren aan de hand van een van de indrukwekkendste hoofdstukken, de wandeling over het gevaarlijkste pad van Engeland dat niet meer is dan een harde, smalle strook zand in het verraderlijke getijdengebied aan de oostkust. Het heet de Broomway, bijgenaamd de ‘Doomway’. Dit pad is alleen begaanbaar bij laag tij; bij vloed verdwijnt het onder water. Wandelaars die door het snel opkomend getij verrast worden, vinden niet zelden de dood.

Op meesterlijke wijze zet Macfarlane zijn schrijfkunst in, al lopend over deze Broomway, zo genoemd omdat in vroeger tijden ongeveer vierhonderd brooms, bezems, de route markeerden. In de eerste stap neemt hij de lezer mee naar de aardrijkskundige diepten van deze ogenschijnlijke laag modder. Vermoedelijk bestaat de weg uit een laag kalk. Met de volgende stap keert hij terug naar de verre en nabije geschiedenis. Niemand weet hoe oud deze weg is. In de middeleeuwen lag hij er al, dat is zeker, want de bewoners van het verderop gelegen eiland Foulness maakten er gebruik van.

In weer een nieuwe stap maakt de schrijver kennis met een man die geboren is aan de Broomway en zowat elke modderstroom en schelp ervan kent. Deze man, Macfarlanes gids, begeleidt hem. Zijn verhalen vertelt Macfarlane aan ons, de lezers, door. Het is alsof we naast de schrijver-wandelaar lopen door dit wonderlijke spiegelland.

Tot slot zijn de laatste stappen voor Macfarlane zelf, en die zijn het mooist. Hij schrijft over zijn jarenlange fascinatie voor deze weg, die hem de sensatie geeft over het water te lopen, begeleid door zijn eigen weerspiegeling. De dag dat Macfarlane de Broomway bezocht, was het heet en tegelijk mistig. Heel de wereld leek te bestaan uit een zacht, zilver glanzen. Door de atmosferische spiegelingen is alles anders. Het gevaarlijkst zijn nog de verre lichten langs de kust: mensen die er in het duister heen lopen in de hoop de veilige wal te vinden, verdrinken in de diepere getijdestromingen.

In het begin van zijn wandelboek geeft Macfarlane de afmeting van zijn voet: van hiel tot teen 29,7 centimeter. Hij schrijft: ‘Dit is een eenheid van voortgang en tevens een eenheid van gedachte.’ Vervolgens maakt hij de lezer deelgenoot van het duizelingwekkend aantal stappen dat hij heeft gezet in de loop van die tienduizend wandelmijlen over de wegen over de wereld. Zelfs als Macfarlane zich te voet door Palestina of Tibet begeeft, past hij de beproefde methode toe: wandelen, observeren, de diepte van het verleden in, luisteren naar voorbijgangers, nadenken. Zijn landschappelijke en literaire passie laat zich prachtig illustreren met de volgende passage, waarin hij het besneeuwde landschap bij Cambridge beschrijft: ‘De sneeuw was onweerstaanbaar leesbaar. Elk spoor van afdrukken leek een verhaal dat terug in de tijd kon worden gelezen; een reeks toespelingen op gebeurtenissen die zich intussen hadden voltrokken. Ik vond een lijn vossenprenten waar de vos hier en daar met zijn staart doorheen had geveegd, alsof hij zelf had geprobeerd zijn gangen uit te wissen.’ Zelfs nieuwe sneeuw verleidt hem tot gedachten over het verleden.

Al trekkend en reizend geeft Macfarlane onverwachte dimensies aan het landschap: de natuur krijgt een gezicht, een verleden. Net zoals Chatwin de zangstemmen langs de paden hoort in zijn boek The Songlines, beluistert Macfarlane de stemmen van eerdere voorbijgangers. Daarom is bij hem een steen niet gewoonweg een ‘steen’ of een pad een ‘pad’. Dankzij dit observatievermogen maakt hij van elke stap een avontuur, of het nu woestijnzand is dat hem omringt of de bergketens van de Himalaya. Hij schakelt wandelen gelijk aan denken: walking is thinking. Lopen noch denken gaat volgens vaste patronen. Macfarlanes ‘wandeldenken’ is eerder een associatief verwijlen bij wat hij waarneemt of wat hem overkomt. Hij slaapt in het landschap, heel romantisch, bij voorkeur in schuren en tussen het hooi. Leeuweriken die voor dag en dauw aan het zingen slaan, zijn voor hem de ‘grootse wekker ter wereld.’

Dankzij The Old Ways krijgt de lezer zelfs inzicht in onze eigen taal. Macfarlane betoont zich schatplichtig aan het Nederlands dat rijk is aan woorden als ‘spookwegen’ en ‘doodwegen’. Dit zijn paden die lopen naar begraafplaatsen. Hierlangs hebben mensen hun laatste route afgelegd, hier werd gerouwd en klonken gebeden. Die gebeden klinken er nog altijd.

Voor Macfarlane begint een pad of oude weg al voordat wij ons erop begeven en eindigt die niet op het punt waar wij ophouden. De paden zijn er altijd geweest, ze vormen het ‘tere web’ over de wereld. Macfarlane laat de lezer verliefd worden op paden en oude wegen. Hij maakt ze tot levende lijnen door het landschap, vol geheimen, raadsels, geschiedenis. Zoals hij naar een pad kijkt, al ligt dat vol scherpe keien of is het verscholen half in de zuigende modder, heeft misschien nooit eerder iemand naar zoiets aards als een voetweg gekeken: ‘de verbeelding móét een lijn in het land volgen, verder de ruimte in, maar ook terug in de tijd naar de geschiedenis van een route en naar eerdere wandelaars.’