Een raad tegen warboel bij de politie

Een nationale politie is prima maar de wet deugt niet. Hier krijgt de politie problemen mee. Stel daarom een Raad voor de Politie in, vinden Jan Wiarda en Jan Vrolijk.

Dezer dagen zal de Eerste Kamer de weg vrijmaken naar een nationaal politiebestel.

Wij zijn voor een nationale politie. Maar wat er nu gebeurt, leidt tot een onevenwichtig politiebestel.

Met een ‘veegwet’ wordt de parlementaire behandeling van het nieuwe politiebestel in de toekomst afgerond, maar wat blijft is een giftige cocktail van drie rampzalige gebreken: er is geen leidend idee, er is geen balans, er is geen termijn.

Dit leidt tot ellende. Als het niet goed gaat, wordt de politie erop afgerekend. Dat klimaat tast het draagvlak voor de politie, de legitimiteit en het gezag van de politie aan.

Een voorbeeld uit Duitsland. Er is een kind gegijzeld. Er wordt veel losgeld geëist. De tijd verstrijkt. Er wordt een teen gestuurd en dan een oor. De politie arresteert een man van wie ze bijna zeker weet dat hij schuldig is. Ze verhoort. Tot de grens van marteling. Tot over die grens. De Hauptkommissar neemt zelf de verantwoordelijkheid. Hij vraagt niemand of het mag, want dan krijgt hij nee. De arrestant bekent. Het kind wordt bevrijd. In het strafproces wordt een beroep gedaan op onrechtmatige bewijsvergaring: er is gemarteld. De Hauptkommissar bevestigt dat. Hij krijgt geen straf, maar ontslag van rechtsvervolging wegens conflict van plichten. Hij wordt wel ontslagen uit zijn functie. Want martelende hoofdcommissarissen, dat willen we niet. Het doel heiligt de middelen niet, want legitimiteit gaat boven doelstelling.

Dit soort vraagstukken doet zich bij de politie aan de lopende band voor, hele grote, tot hele kleine. Wie helpt hierin de juiste weg te vinden? Rechters en politici kunnen pas achteraf spreken.

De algemene doelstellingen van de politie zijn: rust, vrede, openbare orde, oplossing van misdrijven, terreurbestrijding, veiligheid. Maar ook: geen chaos, geen revolutie. De concrete doelstellingen worden door het bevoegde gezag gegeven. Lang niet alles mag volgens de wet, want legitimiteit gaat voor. Legitimiteit betekent draagvlak voor de politie in de samenleving, aanvaarding van het optreden van de politie en gezag van politiemensen. Legitimiteit krijgt de politie niet zomaar.

Vier eisen: burgers moeten kunnen zien wat de politie doet. Het optreden moet controleerbaar zijn, zodat we het in de hand kunnen houden. Als mensen zich bezwaard voelen door de politie moeten zij genoegdoening krijgen (gelijk geven hoeft niet, maar wel netjes behandelen). En er moet van fouten worden geleerd. De politie moet kunnen uitleggen, zonder politieke beoordeling. Nu gebeurt dat niet, want de politieleiding heeft een impliciet spreekverbod. Bestuurders en politici moeten de communicatie niet monopoliseren, maar later een standpunt innemen. Lof of kritiek.

De warboel van toezichthouders, parkeerpolitie, buitengewone opsporingsambtenaren, inspectiediensten et cetera schreeuwt om ordening op basis van een lange termijn visie. De burgemeesters hebben in Nederland al bijna twee eeuwen de politie en de belangrijke ontwikkelingen van de politie gedragen. Dat moet gekoesterd worden. Er moet voortdurend gewerkt worden aan balans tussen de ‘sterke staat’ en de ‘zorgende staat’.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken, de commissarissen der koningin en ook de burgemeesters zijn buitenspel gezet. Er zijn nauwelijks meer checks-and-balances.

Onder druk wordt alles vloeibaar, zeggen ze in Den Haag, en ineens hadden we 500 animal cops. Omdat veiligheid en politie een hoge politieke actualiteitswaarde hebben gekregen, zit iedereen eraan te rukken. De politie wordt overgeleverd aan de hitte van de dag onder de Haagse kaasstolp. Alles moet direct en dadelijk. Tijd om te denken is er niet: ‘Het water staat ons aan de lippen’. Scoren!

Er is een Raad voor de politie nodig die richting geeft. Deze Raad moet worden samengesteld uit mensen met ervaring in het openbaar bestuur, de politiek, de rechterlijke macht, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en de politie zelf. Hij beschikt over een hooggekwalificeerde staf en hij heeft de regie over het wetenschappelijke budget voor de politie.

De Raad geeft, gevraagd en ongevraagd, openbare adviezen en maakt daarmee ideeën dominant. Deze adviezen bereiken tegelijkertijd de politiek, het bestuur, de ambtelijke diensten, de departementen, de politieleiding, de politievakorganisaties, de wetenschap en het ‘denkende deel van de natie’. Dan kan meteen de hand aan de ploeg in beleid en uitvoering.

De Raad ontwikkelt samenhang-bevorderende activiteiten voor het hele politiecomplex en zijn maatschappelijke en bestuurlijke omgeving.

De Raad kan niet ingrijpen, want dat is het terrein van bestuur, departementen en politieleiding. De politiek controleert. De Raad moet ‘geen vuile handen’ maken.

Zo ontstaat er een stabiele koers op basis van goed afgewogen leidende ideeën over politie voor de langere termijn.

Jan Wiarda was hoofdcommissaris van Utrecht en van Haaglanden. Jan Vrolijk was directeur politie en waarnemend directeur-generaal openbare orde en veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

    • Jan Vrolijk
    • Jan Wiarda