De titelheld verdient de kogel

Boris Zjitkov schreef maar één roman – over de lotgevallen van twee families tijdens de Russische revolutie van 1905. Verheven revolutionaire idealen leggen het daarin af tegen banale persoonlijke drijfveren, zoals afgunst en ijdelheid. Siberië bleef Zjitkov bespaard.

Boris Zjitkov: Viktor Vavitsj. Vertaald uit het Russisch door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. Atlas, 696 blz. € 49,95

Je moet hem gelijk geven, de Sovjetcensor die Boris Zjitkovs roman in 1941 naar de papierversnipperaar verwees: Viktor Vavitsj is waardeloos als propagandamateri-aal en heeft verdacht veel weg van een autonoom kunstwerk. Een stuitend eerlijk kunstwerk, want hoewel de schrijver zelf een activist van het eerste uur was (in 1905 produceerde hij als natuurkundestudent thuis nitroglycerine voor subversieve bommen), maakt hij in de grote roman die hij ruim twee decennia later schreef duidelijk dat de geest van revolutie vaak minder met verheven idealen dan met onbeduidende persoonlijke drijfveren te maken heeft. Een dergelijke relativering is een burgerlijke smet, moet de censor gedacht hebben, daarmee komt de internationale klassenstrijd natuurlijk geen stap verder.

Ook in een ander opzicht is Viktor Vavitsj strijdig met de doctrine van het socialistisch realisme die in 1934 op het Congres van Sovjetschrijvers met hartverwarmend enthousiasme was aanvaard. Die doctrine leert dat ware literatuur behalve partijgezind ook optimistisch en heroïsch moet zijn. Maar de personages in Viktor Vavitsj zijn in verwarring en de titelheld is zelfs ronduit een ellendeling die het verdient tegen een kogel aan te lopen.

De roman speelt zich af tijdens de Eerste Russische Revolutie, in 1905. Nadat arbeidersprotesten tegen het tsaristisch regime bloedig zijn neergeslagen door politie en leger, barst in verschillende Russische steden het oproer los. De wankelmoedige tsaar Nicolaas II doet beloften tot democratisering, die hij later overigens niet na zal komen. De bevolking kalmeert niet: enerzijds gaan de toezeggingen voor de revolutionairen niet ver genoeg, anderzijds zien aanhangers van het bewind er een ontoelaatbare knieval voor het gepeupel in. De algehele onvrede komt tot uitbarsting in massale aanvallen van Russen op Joden. Deze pogroms zijn aangesticht door nationalisten en openlijk toegestaan door de politie, voorzover politieagenten in burger er niet persoonlijk aan deelnemen.

We volgen de lotgevallen van twee families en een aantal personages daaromheen. De gepensioneerde landmeter Vavitsj heeft een labiele dochter, Taïnka, die verliefd is op een Joodse fluitist, en een zoon, Viktor, die bij de politie wil. In een heel ander milieu treffen we het gezin van bankdirecteur Tiktin aan, eveneens met een zoon en een dochter, Alexander en Nadezjda. Terwijl de kinderen van de bourgeoisie sympathiseren met de bezitloze klasse, trekt arbeiderszoon Viktor Vavitsj een uniform aan om de status-quo te handhaven – deze maatschappelijke kruisstelling vormt de basis van de roman.

Dat de welgestelde Alexander en Nadezjda Tiktin de arbeidersbeweging steunen, komt zuiver voort uit hun jeugdige naïviteit. De student Alexander wordt meegesleept door het revolutionaire elan van vrienden die hij bewondert en door zijn verliefdheid op advocatendochter Tanja Rzjevski. Zijn zus Nadezjda fantaseert over een heldinnendood en voelt grote trots wanneer ze clandestiene geschriften onder haar hoede krijgt: ‘Vandaag hadden ze haar voor het eerst “kameraad Valja” genoemd en haar “een zaak” gegeven. Deze brochures moest zij bewaren. Een tijdschriftje op dun buitenlands papier. En hij – ze wist zijn naam niet – had zachtjes, bijna fluisterend gezegd: “De kameraden hebben risico’s genomen... ze hebben dit over de grens gebracht... en nu is het hier. Zorg dat het niet misgaat.”’

Het generatieconflict speelt natuurlijk ook een rol. Wanneer de ouderlijke huiskamer vol bezoek is en de politieke actualiteit wordt besproken, durft Nadezjda tot haar eigen schrik (‘het was niet haar stem, maar een harde stem’) haar eigen mening te spuien: ‘... Het volk, de massa’s, het proletariaat, dat niets te verliezen en niets te vrezen heeft. Op dat volk worden bajonetten en kogels gericht...’ Even later zegt een van de bezoekers, een rechter, met een vleiende glimlach tegen mevrouw Tiktin: ‘Uw dochter heeft ons zojuist fantastisch de les gelezen!’

Arbeiderskring

In een schitterende scène houdt Nadezjda een voordracht voor een arbeiderskring. Ze heeft zich grondig voorbereid op het thema van het Russische belastingstelsel. De arbeider die haar begeleidt, Filipp Vasiljev, waarschuwt echter: ‘Maar dat is alleen voor de mensen die al gevorderd zijn, kameraad. Deze mannen hebben behoefte aan iets makkelijkers, iets wat dichter bij hen staat.’ Op het moment dat de arbeiders haar verwachtingsvol aankijken (een wijf, ze hebben een wijf gestuurd!), begint Nadezjda: ‘”Ik dacht jullie iets te vertellen over de manier waarop de regering het geld van het volk inpikt, hoe slim ze dat doen...” Praat ik niet erg dom? vroeg Nadjenka zich af. Ze fronste haar voorhoofd en kreeg een kleur.’

Dat rijkeluiskinderen zich op een wereldvreemde manier tot de revolutie aangetrokken voelen, valt gemakkelijk te begrijpen, maar ook arbeider Filipp Vasiljev, om wiens economische bestaan het toch gaat, heeft zo zijn redenen. Hij is een vakman aan de draaibank, trots op zijn ambacht, en wil dolgraag van zijn voorman een compliment horen. Als die lof hem onthouden wordt, is hij plotseling gewonnen voor de revolutie. Dat onrechtvaardige belastingstelsel van Nadezjda interesseert hem niet, zijn toorn richt zich op de voormannen: ‘Dat zijn de echte rotzakken voor de werkende mens. Erger kan niet.’

Bij Viktor Vavitsj, steunpilaar van de repressie, kun je evenmin van ideologische overtuiging spreken. Voordat hij politieman wordt, is hij eigenlijk geen kwade jongen. Zijn vader waarschuwt hem dat je niet bij de politie kunt gaan zonder vuile handen te maken, maar dat is aan dovemansoren gericht. Amper heeft de ijdele Viktor zijn nieuwe uniform gepast, met zijn hakken geklakt, zijn sabel omgegord en naar zijn spiegelbeeld gesalueerd, of hij begint burgers af te snauwen. In zijn eerste dagen als wijkinspecteur verzet hij zich weliswaar tegen omkoping, maar spoedig geeft hij zich, ingekapseld in het netwerk van zijn bureau, over aan terreur van staatswege.

Zo brengt Boris Zjitkov het politieke consequent terug tot het persoonlijke. Maar kleine beweegredenen hebben grote gevolgen: er vallen doden aan beide zijden. Het romantische toneelstuk waarin Alexander en Nadezjda een rol hadden, is een echte volksopstand geworden. Daarin wordt ook echte moed getoond, zoals door de studenten die – net als Boris Zjitkov in zijn jeugd deed – de Joodse wijken tegen het nationalistisch geweld beschermen.

Vuisten

Boris Zjitkov (1882-1938) is geen Tolstoj of Tsjechov. Zijn personages kunnen geen twee zinnen uitspreken zonder hevig te fronsen, rood te worden, veelbetekenende blikken te werpen, hun vuisten te ballen of te stampvoeten. Russisch temperament, en passend bij het tumult van de revolutie, maar op den duur gaat het toch storen. En in psychologisch opzicht is de roman niet altijd overtuigend; zo lijkt de liefdesrelatie tussen Filipp en Nadezjda eerder aan de ontwerptekening van de roman dan aan de gevoelens van de betrokkenen te ontspruiten. Dat neemt niet weg dat de Sovjetcensor dit boek met grote bewondering gelezen moet hebben, alvorens het te veroordelen. Zjitkov vindt treffende vergelijkingen: ‘ineens bewoog de hele straat zich naar achteren, iedereen week terug, alsof de weg onder hen werd weggetrokken’ – over een demonstrerende menigte die de kozakken tegenover zich vindt. Er zijn grappige en ontroerende passages, spannend is de arrestatie door de geheime politie van Basjkin, een kennis van Alexander, en schokkend de beschrijving van de pogrom. Voor de hedendaagse lezer vult Viktor Vavitsj, naast Petersburg van Andrej Bely en Dokter Zjivago van Boris Pasternak, het historische beeld van het revolutiejaar 1905 aan.

Dit is de enige roman van de succesvolle kinderboekenschrijver Zjitkov. Hij werkte eraan van 1929 tot 1934, maar het werd pas gedrukt in 1941, om meteen vernietigd te worden (een medewerker van de drukkerij redde enkele exemplaren). Zjitkov was toen al aan longkanker overleden. Het is geen gewaagde veronderstelling dat zijn vroege dood hem een enkele reis Siberië heeft bespaard.

    • Marco Kamphuis