De schone revolutie sijpelt door in Rio

De milieutop in Rio is bijna afgelopen. Overheden ruziën nog steeds over een slottekst, intussen laten bedrijven zien wat duurzaamheid in de praktijk kan betekenen.

Braziliaanse Bororo indianen vragen in Rio de Janeiro, waar tot en met vandaag de duurzaamheidsconferentie Rio+20 wordt gehouden, aandacht voor de bedreiging van hun leefgebied. Foto AFP

Moet rundvlees waarvoor regenwoud is gekapt, duurder worden gemaakt? Verdienen ondernemingen die innovatief en efficiënt zijn met watergebruik een fiscale beloning? Wordt het niet eens tijd dat overheden vervuilende bedrijven fors laten betalen? Zulke vragen komen op de duurzaamheidstop Rio+20 steeds weer naar voren in de vergaderzalen en -zaaltjes.

Terwijl regeringsdelegaties zich vandaag nog buigen over een slotdocument, wijzen veel deelnemers op het belang van de ruime aanwezigheid van het internationale bedrijfsleven. „Het is grote winst dat zoveel ondernemingen hier bijeen zijn om over duurzaamheid te praten”, zegt Roberto Smeraldi (52), directeur van milieuorganisatie Amigos da Terra.

De duurzaamheidstop is een vervolg op de Earth Summit VN die 20 jaar geleden plaats had in Rio. De hoofdthema’s van nu: de duurzame ontwikkeling van de economie en hoe die via de Verenigde Naties kan worden voorzien van een institutionele structuur – want dat helpt.

In 1992 was Smeraldi er ook bij. Toen was het vooral een besloten aangelegenheid voor regeringsleiders, herinnert hij zich. Geen ondernemer of bedrijf liet zich er zien. Nu lopen topmannen rond van multinationals als Coca Cola, Unilever en Shell. „Bedrijven kunnen via onder meer innovatie een belangrijke bijdrage leveren”, zegt Smeraldi.

Zo beloofde chemieconcern DuPont tot 2020 tien miljard dollar te besteden aan onderzoek naar verbetering van de voedselproductie, door samen te werken met boeren in ontwikkelingslanden. Het plan moet „het leven van ten minste 3 miljoen boeren verbeteren.” Coca Cola heeft de strijd aangebonden met waterverspilling en toegezegd zijn waterefficiency met 20 procent te verbeteren. Nike belooft voor 2015 een reductie van zijn CO2-uitstoot met 20 procent.

Ben Knapen, de Nederlandse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, constateerde gisteren in Rio dat het voor het eerst is dat in een VN-document wordt gewezen op de voortrekkersrol van het bedrijfsleven. „De Verenigde Naties hebben hun aarzeling ten opzichte van de private sector laten varen”, zei Knapen.

Ook Jim Walker, medeoprichter van de Climate Group, gelooft dat ondernemingen een leidende rol kunnen spelen in milieuvriendelijke groei. Climate Group brengt, om schone technologie te stimuleren, overheden en ondernemers bij elkaar. Na de industriële revolutie is het tijd voor een schone revolutie, zegt Walker, verwijzend naar de Clean Revolution Campagne van zijn organisatie. Walker gelooft in de mogelijkheden van het bedrijfsleven, ook om milieuvervuiling te voorkomen. „Wij promoten het gebruik van schone energie, het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen”, zegt Walker. „Een bedrijf dat innoveert en investeert in schone technologie kan ook zeer succesrijk zijn.”

Daarvoor hebben ze wel medewerking van de overheid nodig. Daarover zijn milieuactivisten bezorgd. Walker vestigt zijn hoop vooral op lokale overheden: deelstaten, provincies en steden. „Op centraal niveau regeert de traagheid.”

De Climate Group was bijvoorbeeld betrokken bij de lancering van de Assembly Bill 32 in Californië (2006). Deze baanbrekende wet verplicht bedrijven de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Sindsdien heeft Californië zich ontwikkeld tot een leider in groene innovatie. Walker: „Daarmee zijn veel banen gecreëerd.”

Zijn optimisme wordt niet door iedereen gedeeld. Veel milieuactivisten vinden het geloof in technologische vooruitgang te vrijblijvend en ze denken dat innovatie alleen wordt gebruikt om consumptiepatronen te waarborgen.

Khristian Méndez, van de Amerikaanse milieuorganisatie Earth in Brackets (‘brackets’ zijn de vierkante haken om controversiële onderwerpen in ontwerpteksten van milieuakkoorden): „Je koopt hier in de supermarkt vis uit Alaska, terwijl Rio zelf aan zee ligt. Die vis moet in Alaska worden gevangen, ingepakt, gekoeld en hier naar toe worden getransporteerd. Wat een energieverspilling.”

Méndez concludeert dat niet alles op te lossen is met innovatie. Hij bepleit radicalere maatregelen, zoals de introductie van het zogeheten natural capital accounting systeem, dat de Wereldbank woensdag in Rio presenteerde. Daarbij krijgen natuurlijke hulpbronnen, zoals regenwouden en schoon water een prijskaartje. Tropische bossen hebben een ‘functie’ bij het zuiveren van de lucht. Daarvoor moet dus betaald worden.

Veel milieuactivisten aarzelen bij het idee om de waarde van natuur in geld uit te drukken. „Natuur is geen marktproduct”, erkent ook Méndez. „Maar door er een financiële waarde aan te geven, wordt zij misschien niet zo maar leeggeplukt.”