De Bovenbazen (36)

Toen de fabriek klaar was, wierp heer Ollie zich op de aanmaak van mechanische spinnen. Aanvankelijk stiet hij op gesloten deuren en op de zwijgzaamheid van de leidinggevende ingenieur; een zekere Ambrosius Torgelspitter. Maar op een dag nodigde deze hem uit om de vorderingen van het werk in ogenschouw te nemen.

‘Hier’, sprak de geleerde trots, ‘ziet u ons eerste resultaat.’

Heer Bommel wierp een onthutste blik op het reusachtige insect, dat op een tafel te pronk stond en liep er vreesachtig omheen.

‘Heel leuk’, zei hij. ‘Maar is hij niet een beetje eh… groot?’

‘Dit is slechts een proefexemplaar’, legde Torgelspitter uit. ‘Het is nu eenmaal moeilijk om de benodigde zintuigen na te bootsen. Zelfs al laat men de meeste weg, begrijpt u wel? Een web maken kan het exemplaar dan ook niet. De hoeveelheid elektronische instrumenten die daarvoor nodig zijn, zouden de spin de omvang geven van een huis! We moeten de instincten eveneens weglaten – en ook andere eigenschappen die niet ter zake doen. Kijk, in deze afdeling hebben we een prototype ontwikkeld dat niet groter is dan een vuist. Een wonder van vernuft en technisch kunnen, obb! Het kan iets waarnemen, er op af springen en doorbijten. Ja, we komen er wel! Vooral als geld geen rol speelt.’

‘Ja’, mompelde heer Bommel met een groeiende tegenzin. ‘Knap, hoor!’

    • Marten Toonder