Achter de einder begint de chaos

Arjaan van Nimwegen: Westerlingen. Wereldbibliotheek, 494 blz. € 29,90.

Arjaan van Nimwegen (1947) begon laat met schrijven, maar sinds zijn debuut (Van Tol kijkt om, 2003) werkt hij gestaag aan een gevarieerd oeuvre. Eens in de drie jaar verschijnt er een nieuw boek. Hij schrijft, met veel stilistische zwier, over menselijke troebelen: over huisgenoten die elkaar het leven zuur maken, over een moeder die rare dingen gaat doen na de zelfmoord van haar zoon, of over een chagrijnige opa die moet zorgen voor zijn gehandicapte kleinzoon. Een steeds terugkerende verhaaldraad bij al die troebelen is de tegenstelling tussen ‘zij’ en ‘wij’, vooral tussen Nederlanders en ‘buitenlanders’.

In Westerlingen, zijn vijfde roman, vormt die botsing tussen twee culturen zelfs de hoofdzaak. Van Nimwegen pakte het deze keer groot aan. Hij koos niet alleen voor een buitenissig land, ergens in ‘de West’, maar ook voor een andere tijd: het jaar 1781. Een kleine handelsvloot lijdt schipbreuk. Van de vier koopvaardijschepen slaan er drie stuk op de rotsen. Eén schip blijft min of meer behouden. Van de 39 Hollandse overlevenden leren we er vier beter kennen: een dominee, een boerenzoon, een koopman en een scheepsarts. Ze gaan schoorvoetend aan wal. In een eerder stadium, toen hun schip nog kon varen, hadden ze zich nog afgevraagd wat ze moesten met dit rotsige eiland dat op geen kaart terug te vinden was. ‘Negeren [...], zonder meer opeisen, of was nader onderzoek geboden, met alles risico’s van dien?’

De bewoners van dat onbekende land spreken een soort esperanto en houden er een levensfilosofie op na die communistisch, maar ook Wittgensteiniaans aandoet: ‘alles is zoals het bedoeld is.’ Ze menen in een afgeronde, volmaakte wereld te leven waar men alleen spreekt over dingen waarover men kán spreken. ‘Achter de einder begint de chaos.’ Alles wat niet zichtbaar is en zich niet in het hier en nu afspeelt, bestaat niet voor deze ‘Westerlingen’. Met ‘zaken van overzee’ houden ze zich niet bezig en de Hollandse schipbreukelingen worden dan ook met wantrouwen begroet. Die brengen maar onrust teweeg met hun gepraat over liefde, God, geschiedenis en poëzie. De Hollanders worden door ‘kaalkoppen’ in zwarte hemden, met losse handjes, scherp in de gaten gehouden.

Losbollige romantici

De grote tegenstelling die Van Nimwegen in Westerlingen laat zien is die tussen verstand en gevoel en tussen groep en individu. De eigenzinnige Hollanders krijgen hier, nogal verrassend, de rol toebedeeld van losbollige romantici, hakend naar passie, hogere inzichten en levensgeluk. De rationele, a-religieuze Westerlingen daarentegen leven in het heden en zijn afkerig van elk denkbeeld dat buiten de dagelijkse collectieve orde valt.

Interessant wordt het natuurlijk waar de twee denkwerelden elkaar ontmoeten – met de liefde als smeltkroes. De koopman legt het aan met een burgemeestersdochter. De dominee beleeft een woeste nacht, na veel wijn. De boerenzoon valt op een dorpsmeisje. En de scheepsarts trekt een tijdlang op met een nobele bosjesman, die hij Augustus noemt.

Dat levert vermakelijke, soms ook aandoenlijke gesprekken op over liefde, dieren, zeden en gewoonten. ‘Wij’ beginnen gaandeweg steeds meer te zien in ‘hun’ tijdloze, onthechte standpunt, en in een overzichtelijk leven in het hier en nu, terwijl ‘zij’ steeds meer oog en gevoel krijgen voor het hogere en de historische blik. Van Nimwegen heeft er duidelijk lol in om de prozaïsche Westerlingen dichtregels van Nijhoff, Slauerhoff en Du Perron in de mond te leggen – die er in 1781 uiteraard nog niet waren. Tot langdurige verbintenissen tussen de bezoekers en de oorspronkelijke bewoners komt het niet. De ‘ïntegrásy’ loopt op den duur lelijk spaak.

Westerlingen is een soepele mengeling van imaginaire ontdekkingsreis, avontuurlijk jongensboek, bewogen scheepsjournaal, liefdesgeschiedenis, bloedige thriller en historische roman, compleet met landkaarten en legenda’s (‘A. fecit’). De vraag is natuurlijk wat je precies hébt aan verhalen en anekdotes over een land dat niet bestaat en dat je trouwens, als het wel bestond, niet graag zou bezoeken.

Windstilte

Ik denk dat Van Nimwegen met zijn lijvige roman, waarin ‘wij’ er duidelijk beter afkomen dan ‘zij’, gezegd wil hebben dat je beter een reis kunt verzinnen met storm, schipbreuk, windstilte, piraten, exotische landschappen en veel anachronismen dan je tevreden te stellen met de bestaande, dorre feiten. Daarbij komt, zoals de praatgrage koopman het uitdrukt, ‘het genot van de bedwelming van de eigen woorden’. Van Nimwegen ontkomt daar zelf ook niet helemaal aan. Zijn roman, hoe smeuïg verder ook, zou wel gebaat zijn geweest bij een iets compactere vorm: minder verhaallijnen, minder details, minder bladzijden, minder woorden.

Maar wie niet kijkt op een woordje meer of minder kan heerlijk wegzinken in Gulliver- en Robinson Crusoë-achtige avonturen, met een half Nederlandse, half exotische setting, en met montere knipoogjes naar alle kanten. Alles vind je hier bijeen: dogmatiek en filosofische opvlucht, ambtenaarlijkheid en poëzie, armoede en carnaval, geweld en seks. Het leukst zijn natuurlijk de troebelen met de Hollanders – ‘net gewone mensen’. Zij krijgen een koekje van eigen deeg en worden uiteindelijk afgescheept met het bekende ‘vol is vol’. Eigen volk eerst. Van Nimwegen maakt droogjes duidelijk dat deze leus van alle tijden is.

    • Janet Luis