Wie garant staat loopt risico’s

De Algemene Reken- kamer presenteert vandaag een rapport waarin de ‘stille’ verplichtingen van de overheid centraal staan. De staat loopt door 465 miljard aan garanties grote risico’s. Meer openheid is gewenst.

In vier jaar tijd zijn de garanties van de overheid bijna verdubbeld. Garanties voor hypotheken en export bestonden al, maar sinds de bankencrisis in 2008 hebben garanties voor de financiële sector en de Europese noodfondsen een grote vlucht genomen.

In totaal heeft de overheid voor 465 miljard euro aan expliciete garanties gegevens. Voor bijna de helft gaat dat om de woningmarkt (Nationale Hypotheekgarantie en woningcorporaties, 228 miljard), een derde is verstrekt aan Europese noodfondsen en het IMF (151 miljard). Van de rest gaat het grootste deel naar de banken (33 miljard) en de exportkredietverzekering (14 miljard).

De kans dat deze garanties tot grote uitbetalingen zullen leiden is niet groot. Niemand kan zich een situatie voorstellen dat geen huiseigenaar nog zijn hypotheek kan betalen. En het zogeheten Waarborgfonds Eigen Woningen heeft ook nog een eigen financiële buffer.

Toch zorgt de onderlinge verwevenheid van de risico’s ervoor dat ze voor een probleem gaan zorgen. Neem een stijgende rente die tegelijk invloed heeft op de staatsschuld, de hypotheekrenteaftrek en de financiering van eurolanden.

De expliciet verstrekte garanties hebben in elk geval één voordeel: het maximum is duidelijk, en dat is bij de impliciete garanties minder het geval. Neem bijvoorbeeld de redding van banken in 2008. Iedereen verwacht dat het Rijk het financiële stelsel in de lucht houdt, maar de kosten zijn vooraf moeilijk in te schatten.

De Rekenkamer onderscheidt ook uitgaven en risico’s die sluipenderwijs groter worden, zoals bijvoorbeeld bij zorg en pensioenen. In het meest optimistische scenario nemen de zorgkosten de komenden dertig jaar toe van 13 procent nu tot 18 procent van de omvang van de Nederlandse economie. In het pessimistische scenario stijgen ze zelfs tot 31 procent. Die kostenverhoging zal ongetwijfeld ook voor de overheid gevolgen hebben.

Ook tegenvallende rendementen van de pensioenfondsen hebben op termijn een negatief effect op de schatkist. Als uitkeringen structureel lager zijn dan verwacht, zullen ook de belastingopbrengsten achterblijven.

Vorige week riep een ambtelijke adviescommissie het kabinet op tot „een kritische blik op de impliciete en expliciete verplichtingen”. Het veertiende rapport van deze zogeheten Studiegroep Begrotingsruimte gaat met betrekking tot garanties minder ver dan het dertiende: in 2010 adviseerde de ambtelijke top dat ministeries een jaarlijkse premie zouden moeten betalen voor de garanties die worden afgegeven. Dat advies is nooit ter harte genomen.

In een reactie op het rapport van de Rekenkamer benadrukt het ministerie van Financiën dat studies van het Centraal Planbureau en het ministerie zelf een goed beeld geven van de risico’s die de overheid momenteel loopt.

Het departement vindt een afzonderlijke, periodieke rapportage – zoals de Rekenkamer die bepleit – niet echt nodig, zolang de situatie niet echt verandert. Juist omdat nieuwe schokken en trends moeilijk te voorspellen zijn, is het volgens Financiën cruciaal om „om budgettaire ruimte” te creëren voor tegenvallers.