Reacties op ‘Midden in de zomernacht’

In de Mens&-bijlage van afgelopen dinsdag stelde Gijsbert van Es de vraag ‘Waarin gelooft u?’

Gijsbert van Es: “Ik geloof niet in één God, zijn Zoon intrigeert me als historisch, cultureel en maatschappelijk fenomeen en hun Geest zie ik als een inspiratiebron. Inspiratie voor wat? Om te leven met enkele waardevolle morele beginselen, waaronder: medemenselijkheid en rentmeesterschap.”

Daarop kregen wij een aantal reacties:

Marc Mulders: “…U schrijft een heel mooi intro;   ‘Ik geloof niet in EEN God, zijn Zoon intrigeert me als..

en dan vraagt U vervolgens; ‘en wat gelooft U’ ?

wel ik geloof in het ‘LICHT’ …tegenlicht, kaarsen licht, verblindend licht helend licht kampvuur Licht, en sluit mij graag aan bij Uw laatste zin om donderdagavond een vuur op te starten om te mijmeren , en te danken.”

Frits David Zeiler, Bergen: “Gijsbert van Es maakt in zijn midzomerstukje een klassieke fout. De 21ste juni is weliswaar de kortste nacht en het officiële begin van de zomer, maar de midzomerfeesten vallen altijd enkele dagen later, meestal op Sint Jan (24 juni) of op de avond daarvóór. Het stoken van vreugdevuren vindt in Noord-Europa, maar ook bijvoorbeeld in de Languedoc, plaats op Sint Jansavond (‘Sankt Hans’), dus op de 23ste. Dat er ‘oeroude volksliedjes’ worden gezongen is overigens een wel erg romantisch idee; meestal gaat het om de in die landen geldige varianten op ons ‘Waar de blanke top der duinen.’ Maar stemmig is het wel, zoals ook de foto uit Letland laat zien. Die ongetwijfeld niet al op de 21ste juni is genomen.”

Otto Bleker: “Die twee waardevolle morele beginselen zijn al een aardig begin. Als je daar nog aan toevoegt: vrijheid en tolerantie, vrede en gerechtigheid en een samenleving zonder geweld, denk je of geloof je zoals moderne christenen dat vandaag dag denken en hopelijk ook doen. Theologie is daarbij altijd ondergeschikt aan het vrije individueel denken en geloven. Vrij zinnig is dus niet zonder waarden, maar juist fundamenteel opkomen voor een andere en betere samenleving. Otto Bleker, doopsgezind.”

Ray Staller, Linschoten: “In antwoord op de oproep van Gijsbert van Es (in Mens van 19 juni) wil ik graag mijn stelling poneren betreffende het geloof:

‘Er zijn net zoveel goden als dat er mensen zijn die er in geloven’

Omdat dat godsbegrip dus in de mens zelf zit, lijken de goden ook erg op mensen, met de drang naar macht en belangrijk gevonden worden en een sterke neiging naar dictatuur. Bij de Griekse goden was dat helemaal duidelijk, zo’n beetje de eerste soap.  ”Als koeien goden hadden dan waren die goden koeien” is een mooie uitspraak van Belcampo (De filosofie van het belcampisma, 1972).

Omdat mensen nogal op elkaar lijken, lijken die individuele goden ook nogal op elkaar. Vandaar dat mensen zich verenigen in verschillende clubjes, waar per club min of meer gelijkgestemden samen komen. En net als bij voetbalclubs kan er onderling lekker geknokt worden, terwijl iedereen roept dat ze het allemaal over hetzelfde hebben.

Aangezien ik 64 ben heb ik veel van de ellende in Noord-Ierland kunnen meemaken. Op een willekeurige zondag zaten de katholieken in hun kerk, terwijl een paar straten verderop de protestanten in hun kerk zaten. Beide groepen zullen daar het woord tot god hebben gericht. Zou dat dezelfde god zijn? Interessant dilemma voor zo’n enkel opperwezen.

Waar dit dilemma ook mooi zichtbaar wordt is bij sportwedstrijden, iets minder heftig dan Noord-Ierland, maar het komt op hetzelde neer. De winnaar dank god voor de overwinning (Andre Agassi die in 1999 Roland Garros won). Wat nou als de tegenstander ook gelovig blijkt te zijn? De god van andre was blijkbaar bij de les terwijl de god van de tegenstander het liet afweten.

Nog een laatste voorbeeld. Een paar jaar geleden hoorde ik op Radio 1, naar aanleiding van de 9-11 herdenking, een Amerikaan aan het woord die na die aanval zeer religieus was geworden. Hij bevond zich namelijk net een paar verdiepingen onder die waar naar binnen gevlogen werd. God moest het dus wel heel erg goed met hem voorhebben! Maar hoe zat dat met al die mensen die bij toeval op de wat hogere verdiepingen zaten? Waren dat allemaal atheisten?

Voor mij persoonlijk is god er niet. Ik vind relegie niet universeel genoeg. En ik ben geen groepsmens. Een verschijnsel als de zwaartekracht werkt wel overal gelijk. Een steen gegooid vanaf een 50m hoge kerktoren valt net ze snel naar beneden als zo’n zelfde steen gegooid vanaf een minaret van 50m hoog. Daar kan ik wat mee.”

Egbert Talens: “Voor het geval u even tijd heeft, voor mijn geneuzel…

Het katern MENS& m van 19 juni had wel iets, vond ik. En omdat voor reacties naar mensen@nrc.nl ruimte werd geboden, deze ontboezeming.

Behalve in uw eigen bijdrage kwam ook elders de term religie c.q. religies voor, en ik probeer dan altijd uit te vinden of daarmee godsdienst, dan wel godsdiensten, bedoeld wordt. Wat doorgaans het geval is, en jawel, ook nu werd het begrip religie -- dat nmbm níet in het meervoud gehanteerd behoort te worden -- als een synoniem van godsdienst naar voren. ‘Nou én?’, is mogelijk uw reactie; ‘volgens woordenboeken is religie hetzelfde als godsdienst, dus….’. Waarop mijn steevaste antwoord luidt: woordenboeken zijn ook maar mensen. Toch?

U schrijft, onder 1 : ‘Theologen proberen een brug te slaan tussen religie en wetenschap.’ Ik zette een streep door religie en maakte er dit van: o.g.g.g.g. Ik help u snel uit de brand door aan te geven dat deze afkorting het volgende inhoudt: op godsdienstig geloof gebaseerd gedachtegoed.

In de daarop volgende zin, evenals uit de rest van uw verhaal, wordt duidelijk dat die term religie inderdaad slaat op geloof, en het woord ‘godsbewijs’ bewijst zonder meer dat het om godsdienstig geloof gaat.

Of u o.g.g.g.g. geschikt acht om in de plaats te treden van theologie, waag ik te betwijfelen. Ik stel dit ook niet voor. De menselijke zoektocht naar een spirituele bron is uitermate interessant; dat lieden in het verleden de term god (en/of goden) daaraan gaven is mínder interessant, gezien de gevolgen die dit met zich mee bracht: oorlog, haat en nijd, en zulks tot op de dag van vandaag. Profeten, priesters en dat soort lieden, waren wat heden ten dage de politici zijn: volksverlakkers ten bate van eigen gelijk (of geluk, gewin; zoiets.) Ik moet mij beheersen, en proberen niet af te dwalen.

Wetenschap gaat over wat wij willen weten en kennen. Met vallen en opstaan, trial & error, slaagden mensen erin achter de geheimen te komen die de natuur voor ons in petto hield en houdt. Via de falsificatie-methode moet voorkomen worden, dat onjuiste aannames stand houden. Je verstand erbij houden  --  misschien nog beter geformuleerd met: gebruik je gezonde verstand  --  maakte het mogelijk terug te komen op eerdere aannames. Prachtig! In plaats van gezichtsverlies te lijden, verrijkten ‘wij onze’ kennis. [Dat ging niet altijd even fijntjes, zoals met Gallileo het geval was: è pur se muove... Tja... ]

Maar kennis vergaren inzake onze geestelijke dan wel spirituele vermoedens, werkt anders. Bij gebrek aan vaste data. Zij die uitgaan van o.g.g.g.g. beweren wel de bron van hun gedachten te kennen, maar zoals u schrijft: godsbewijs kunnen ze niet leveren. Onlangs werd voor de achtste keer het bewijs van Gods bestaan geleverd, maar ik bespaar u die, eloquente, dat wel, -- míj niets zeggende -- uiteenzetting.

Een andere definitie voor ‘theologie’ opvoeren, is niet eenvoudig. Het gaat om zaken die samenvallen met ethiek en moraal, en dát nu is het gebied dat ik aanduid met religie. Maar religie is een dermate ingeburgerd begrip dat samenvalt met godsdienstig geloof, dat ze niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn; een voortdurende noodzakelijke uitleg daarbij, zou de zaak alleen maar verergeren. Pas als wij erin slagen religie aanvaard te krijgen als énkel ethiek & moraal, en dit ook in de woordenboeken zijn beslag krijgt, is het moment aangebroken religie in de plaats van theologie te stellen. Voorlopig moeten wij genoegen nemen met een soort omschrijving als: moraalfilosofie.

2. In dit deel haalt u zaken aan als levensvisie van humanisten, waarbij het draait om morele waarden. Ja, ik beschouw mijzelf als ‘humanist’ en denk dat ik daarbij bijzonder religieus ingesteld ben!

3. Van een kampvuur aanrichten zal het morgenavond bij mij niet komen. Maar de gedachte om op die manier midzomernacht te vieren, is zeker de moeite van het propageren waard.”

P. Goris, Epe: “Ik geloof
Waarom?

Omdat de mens een te mooi en doorklinkend wezen is om uiteindelijk toch slechts een ‘loos’ wezen te zijn.

Hoe?

Ik hanteer de trits ‘het religieuze-geloof-godsdienst’; geen godsdienst zonder geloof, geen geloof zonder het religieuze. Dit laatste bedoelt het de mens ingebakken vermogen om te “reiken naar het oneindige”. Het heeft kenmerken als het transcendente, het verhevene, het mysterieuze en het heilige. Wezenlijk daaraan is dat het gaat om ervaringen die authentiek zijn en je (vaak ‘zomaar’) overkomen; zij leiden tot het inzicht/mogelijkheid en vervolgens de erkenning dat er ‘iets’ moet zijn. Bij mijn vraag naar mijzelf heb ik niet bepaald de indruk dat ik mijn bestaan aan mezelf ontleen, ik erken dat ik het gekregen heb en bedoeld ben voor het goede. Het negatieve is immers (doel)loos. Nu begint geloof: ik erken mijn afhankelijkheid van de Gever/Maker: ‘ik-Gij’ en de goede opzet van Hem: ‘Gij-mij’. Daar zit niks en niemand tussen; het is rechtstreeks, onmiddellijk.

Wat ?

Van alle godsdiensten voor zover ik die ken, overzie, heeft die die J.v.N. heeft beleden de meeste en mooiste (geloofs)inhoud. Zij vult ‘ik-Gij&Gij-mij’ diepgaand in. Zij is/wordt mij aangereikt en ik moet met de verscheidene elementen daarvan zelf klaar komen, ze moeten op een of andere manier (gaan) aansluiten bij dat authentieke van/in mij, bij mijn geloofsbeleven. Ik geloof, ‘weet’, vanuit mijn geloof dat mijn Maker Zich geheel heeft uitgedrukt in J.v.N. en dat deze omwille van het goede zich heeft ingezet t/m de schandedood aan een kruis. Waarna de Maker hem heeft bevestigd als zijnde goed. Hun beider Houding, Instelling, drijft dat Goede de wereld in.

Aldus in notedop.”

Ik geloof

waarom?

Omdat de mens een te mooi en doorklinkend wezen is om uiteindelijk toch slechts een ‘loos’ wezen te zijn.

Hoe?

Ik hanteer de trits ‘het religieuze-geloof-godsdienst’; geen godsdienst zonder geloof, geen geloof zonder het religieuze. Dit laatste bedoelt het de mens ingebakken vermogen om te “reiken naar het oneindige”. Het heeft kenmerken als het transcendente, het verhevene, het mysterieuze en het heilige. Wezenlijk daaraan is dat het gaat om ervaringen die authentiek zijn en je (vaak ‘zomaar’) overkomen; zij leiden tot het inzicht/mogelijkheid en vervolgens de erkenning dat er ‘iets’ moet zijn. Bij mijn vraag naar mijzelf heb ik niet bepaald de indruk dat ik mijn bestaan aan mezelf ontleen, ik erken dat ik het gekregen heb en bedoeld ben voor het goede. Het negatieve is immers (doel)loos. Nu begint geloof: ik erken mijn afhankelijkheid van de Gever/Maker: ‘ik-Gij’ en de goede opzet van Hem: ‘Gij-mij’. Daar zit niks en niemand tussen; het is rechtstreeks, onmiddellijk.

Wat ?

Van alle godsdiensten voor zover ik die ken, overzie, heeft die die J.v.N. heeft beleden de meeste en mooiste (geloofs)inhoud. Zij vult ‘ik-Gij&Gij-mij’ diepgaand in. Zij is/wordt mij aangereikt en ik moet met de verscheidene elementen daarvan zelf klaar komen, ze moeten op een of andere manier (gaan) aansluiten bij dat authentieke van/in mij, bij mijn geloofsbeleven. Ik geloof, ‘weet’, vanuit mijn geloof dat mijn Maker Zich geheel heeft uitgedrukt in J.v.N. en dat deze omwille van het goede zich heeft ingezet t/m de schandedood aan een kruis. Waarna de Maker hem heeft bevestigd als zijnde goed. Hun beider Houding, Instelling, drijft dat Goede de wereld in.

    • Tom Janssen