Mobiele kliniek op rug van een kameel

Bouwen voor mensen in nood. Dat was de droom van architect Cameron Sinclair. Nu ontwerpt en realiseert hij gebouwen overal ter wereld.

Wij zijn het blijehondjesverhaal, zegt Cameron Sinclair, oprichter van Architecture for Humanity. Het tv-journaal wil altijd na 28 minuten narigheid toch vrolijk eindigen, dat is dan de – meestal triviale – happy puppy story. Met één belangrijk verschil: Sinclairs blije verhaal is allesbehalve triviaal.

Architecture for Humanity (AfH) stelt het ontwerpen en bouwen in dienst van mensen in nood: vaak daar waar zich natuurrampen of conflicten hebben afgespeeld, maar ook waar ‘gewone’ armoede heerst. Architecten, ingenieurs en stadsplanners gaan tegen minimale vergoeding (en maximale ontbering) een tijd wonen in het gebied om met lokale mensen en materialen huizen, of speelplaatsen, of mobiele klinieken te bouwen. Inmiddels bieden architecten van naam hun diensten aan, zoals de Italiaan Renzo Piano.

Nu stuitert Sinclair over de aardbol om projecten en sponsors te bezoeken en lezingen te houden, zoals vorige maand op de conferentie What Design Can Do in Amsterdam. Hij is architect van beroep, maar met een onovertroffen pr-instinct weet hij zijn organisatie steeds in beeld te houden. Een paar weken geleden lanceerde hij in New York zijn nieuwe boek Design Like You Give a Damn 2, nu is er tot het einde van deze maand een online veiling gaande waarvoor ruim zeventig architecten en kunstenaars werk hebben gedoneerd. Om de twee jaar organiseren ze een grote prijsvraag. Dit jaar gaat het om het vinden van nieuwe functies voor defensieterreinen; de resultaten worden deze zomer gepresenteerd op de Architectuurbiënnale in Venetië. Op Sinclairs visitekaartje wordt zijn functie aangeduid als chief eternal optimist.

Sinclair (37): „Ik werkte eind jaren negentig nog als ‘CAD-monkey’ op een architectenbureau [CAD is een veelgebruikte tekenprogramma, red.]. Het begon tot me door te dringen dat ik niet moest ontwerpen, maar bouwen, en dan voor mensen die architectuur echt nodig hebben.” In twaalf jaar tijd is Architecture for Humanity spectaculair gegroeid. Wat begon als één man met een idee en een laptop, is tot een professionele non-profit organisatie uitgegroeid die inmiddels met medewerking van meer dan 2.000 architecten bijna 4.000 gebouwen heeft helpen realiseren in 48 landen. De 115 medewerkers zijn verdeeld over zes kantoren in steden die uiteenlopen van de hoofdvestiging in San Francisco tot Port-au-Prince, en 72 lokale filialen. De begroting is gestegen van 1 miljoen in 2007 naar 10 miljoen dit jaar. Sinclair: „Daarvan geven we 85 procent uit aan ontwerpen en bouwen.” Dat geld komt voor het overgrote deel van bedrijven en particulieren – zelfs van kinderen. „We kregen bijvoorbeeld een bedrag van 1.000 dollar van kinderen uit Bangladesh, voor noodgebouwen na de aardbeving op Haïti.”

In 2006 kreeg Sinclair een TED-prijs voor innovatie. Hij adviseert bedrijven, bijvoorbeeld Nike, over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tijdens zijn bezoek aan de conferentie in Amsterdam had hij ook een afspraak met Akzo Nobel. Eind vorig jaar is hij door Obama benoemd tot adviseur bij de Amerikaanse organisatie voor ontwikkelingshulp US Aid. Dat is voor hem het hol van de leeuw, want AfH distantieert zich van de traditionele ontwikkelingshulp, waarbij volgens Sinclair een karavaan duurbetaalde adviseurs in ingevlogen jeeps rondrijdt en veel belastinggeld uitgeeft aan krakkemikkige tijdelijke oplossingen: „De ‘aid cowboys’ zijn net zozeer een bezettingsmacht als een leger. De oorlog in Irak was het beste wat Afghanistan is overkomen, want toen trok de hulpkaravaan weer weg en was er ruimte voor lokale initiatieven.”

Wordt hij niet als adviseur op deze manier ingekapseld en ongevaarlijk gemaakt? Nee, zegt hij stellig. „Ik kan meer bereiken als piraat aan de binnenkant dan als actievoerder aan de buitenkant. Als ik een enorme organisatie van US Aid kan laten zien wat ze met lokale arbeid, lokale materialen en duurzame energie kunnen bereiken, dan is dat echt een game changer.”

AfH heeft heel praktische doelstellingen, zegt Sinclair, zoals mensen helpen aan onderdak en andere gebouwen die ze nodig hebben, voor minder geld en van betere kwaliteit dan uit de reguliere noodhulp komt. „Maar we hebben ook een sociale en economische agenda. Ik kan ervoor zorgen dat mensen uit de Swat-vallei in Noord-Pakistan zelf huizen van bamboe kunnen bouwen voor 800 dollar per stuk die blijven staan, in plaats van tenten van 1200 dollar die na een jaar zijn weggewaaid. Bovendien verdienen ze dan ook wat. Ik geloof niet in sweat equity, in mensen voor niks laten werken. We bieden professionele ontwerpvaardigheden, de lokale mensen doen tegen betaling het werk met lokale bouwmaterialen. Ze zijn geen passieve ontvangers van hulp: ze zijn zelf hun eigen gemeenschap en hun economie weer aan het opbouwen. Je hoeft geen expertise in te vliegen, want die is er al.”

Architecture for Humanity heeft hulp verleend in New Orleans na orkaan Katrina en in Pakistan na de aardbevingin 2005, in Zuidoost-Azië na de tsunami in 2006, in Haïti na de aardbeving van 2010. De organisatie werkt ook in conflictgebieden, zoals Afghanistan waar ze voor jongeren een skatepark in Kabul (‘Skatistan’) hielp aanleggen, maar werkt ook op plaatsen waar ‘gewone’ behoeften zijn: een sportcentrum in de Zuid-Afrikaanse sloppenwijk Khayelitsa, een centrum voor geweldspreventie in Rio de Janeiro, een kliniek in India, een drijvende school in Nigeria. Ook delen van Amerika gelden als gebieden in nood, bijvoorbeeld de staat Zuid-Dakota waar AfH bibliotheken van strobalen heeft gebouwd, en de steden waar in zogenaamde food deserts geen vers voedsel te krijgen is. „Onder de naam ‘Food in Transit’ hebben we oude stadsbussen ingericht als rijdende winkel die groenten en fruit vanaf de boerderijen naar die wijken brengen.”

Bouwen is politiek, zegt Sinclair onomwonden. „Alleen al de vraag wat je bouwt en voor wie, is een politieke vraag. Bouw je in Dubai of in Afghanistan? Bouw je de hoogste wolkenkrabber ter wereld of een mobiele kliniek die op de rug van een kameel kan worden vervoerd?” Zijn betoog is ook een schop onder de kont voor zijn eigen professie. Les nummer één in zijn boek Design Like You Give a Damn 2 is dan ook: Een ontwerp kan nog zo goed zijn, als het niet wordt gebouwd doet het er niet toe.

Met het geld van zijn TED-prijs uit 2006 heeft hij een open source netwerk opgericht, Worldchanging, waar alle betrokkenen – ontwerpers, ingenieurs, planners maar ook ngo’s en overheden – over de hele wereld plannen kunnen uitwisselen. Hij heeft weinig clementie met de architecten in het rijke Westen die nu zuchten onder de economische crisis. „De architectuur is als beroep irrelevant geworden. Je kunt op de as New York-Rome blijven hopen op werk, maar onder de evenaar wachten er drie miljard klanten op je die je zullen respecteren en je dankbaar zullen zijn.”