Jazz brandt als duivelspis het burgerlijk vernis weg

De directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg – als zo vaak aanwezig in de foyer tussen het publiek dat naar de zalen stroomt – ziet er zo verslagen uit dat ik hem vraag wat er scheelt. Verwilderd vertelt hij over het advies van de Amsterdamse Kunstraad. Deze schouwburg draait als een lier, deze directeur trekt volle zalen met ‘moeilijke’ dingen als de Münchner Kammerspiele, deze directeur bewijst dat de Amsterdammers van hun schouwburg houden. „Maar het lijkt of het niet uitmaakt wat we doen.” Hij moet veel forser inleveren dan verwacht en hoe hij dat oplost weet hij nog niet.

Ook voor de opera Waiting for Miss Monroe zit de zaal vol. Uiterlijk volgt de opera Marilyn Monroe en haar laatste film gedetailleerd. Alles lijkt sprekend, maar muzikaal drukt hij haar weg. Componist Robin de Raaff verzwijgt Monroe’s jazzy stem. Hij berooft haar van de Monroe-kreun, hij ontsteelt haar de Monroe-piep en Monroe-hijg.

Maar ik zeur verder niet, want naast me zit een rij meiden van een jaar of 17 te genieten. Ze zijn leerlingen van het Arte College uit Almere, vertelt er een, ze deden vorige week een „mini-versie” van Waiting for Miss Monroe. „Maar dan zonder Marilyn, want op haar wachtten we allemaal.” Goeie ingreep, het is de kern van het Monroe-mysterie: zo kapot bewonderd dat ze wegbleef zolang ze kon. „Wie speelde jij dan?” vraag ik de schoonheid in haar roze Betty-Boopjurk. „President Kennedy”, zegt ze. Waarmee ze die bloedserieuze opera relativeert en mijn avond redt.

Jazz begon als noodzaak, dat zie je in On the Road, de verfilming van de roman van Jack Kerouac. De beukende zinnen van de beat poet worden beukende beelden over Jack zelf en zijn vriend Neal Cassady. Neal was zo wild als Jack wilde zijn. Een soort Herman Brood. Onweerstaanbaar, onverzadigbaar, ontoerekeningsvatbaar. Een hufter, maar niemand die verweer tegen hem had.

Een saxofoon krijst. Op de dansvloer schokken zwetende lijven. Op de stoelen langs de kant knikken de kinnen ritmisch op en neer. Het is 1947. Ernst is de norm. Wie 21 is, is volwassen. Mannen hebben een betrekking, vrouwen hebben een man, en per stel hebben ze de eerste van hun bolle baby’s.

If that’s all there is, my friend... then let’s keep dancing...

De jazz wees de weg. Jazz was nog geen keurig nette muziek voor beschaafde mensen. Jazz verdoofde de angst voor een vastgespijkerde toekomst. Jazz was pis van de duivel, het brandde het burgerlijk vernis weg, eiste ruimte op voor seks, voor drank, voor drugs and all that jazz.

Jazz is zelfromantiserend: Oh! hoor mij eens mooi spelen; oh, wat dans ik onbeschaamd; oh, wat ben ik ongebonden. Jazz gaat over een ‘ik’ die fervent van zichzelf houdt, en die liefst lid is van de club die alleen hem als lid wil hebben (om onbeschaamd te variëren op Groucho Marx, die zei nooit lid te willen zijn van de club die hem als lid zou accepteren).

De publiciteitscampagne van On the Road poetste zijn voorloper weg. Maar die was er wel. In 1980 al werden de memoires verfilmd van Carolyn Cassady, de weduwe van Neal (Nick Nolte speelde hem onverbeterlijk). Heart Beat. Mooie titel, hij verwees naar de beat poets als dichters van de hartenklop, hun gedichten bonkten op het ritme van een syncopische hartslag.

On the Road swingt en vervoert. En toch zit hij me niet helemaal lekker. Mijn kapster, een overtuigd cinefiel, zag ’m ook. Ze zegt ter zake kundig: „Maar dat haar klopte niet. Die jongens zijn veel te goed geknipt.” Ze heeft gelijk, daar zit ’m de kneep. Dit moeten ouwelijke jongens zijn, op drift maar toch gevangen in armoe en de conventies. On the Road durft dat niet, die vormt ze om tot een hippe retroversie van jongens van nu.

De echte zijn te vinden in de film Pull My Daisy van Robert Frank, uit 1959, een grijs juweel van een half uurtje (hij staat op YouTube). Kerouac schreef ’m en sprak ’m in, met een stem van lubberend elastiek. „Early morning, in the universe...” , zo begint hij. En dan gaan de beat poets los, Alan Ginsberg voorop. Ernst-weigeraars zijn ze. Losgeslagen, onaangepast. Hoekig en hyperactief schuiven ze door New York. Hun geklets is muziek. Niet hemels, niks engelen. Aards. Duiveltjes uit doosjes.

    • Joyce Roodnat