Een Rotterdammer op helletocht voor Napoleon

Tweehonderd jaar geleden viel Napoleon Rusland binnen. Een voorouder van Bart Funnekotter vocht mee en overleefde, als een van weinigen. Hij vond zijn spoor in de archieven. Van Groningen naar de Oeral en terug.

De restanten van het 125ste Regiment Linie Infanterie in gevecht bij Borisov, eind november 1812. Afbeelding uit Historique des corps d'infanterie ayant porté le no 125

Daar kwamen de kozakken. Willem Funnekotter keek naar zijn vestzakhorloge. Hij liet het in zijn laars glijden. Om hem heen, in de sneeuw, lagen zijn kameraden: bloedend, stervend, dood.

Het was 28 november 1812 en Willem Funnekotter uit Rotterdam, luitenant in de Grande Armée van keizer Napoleon Bonaparte, legde zijn wapens neer. Hij gaf zich over.

Volgende halte: Siberië.

Zo gaat het verhaal dat in mijn familie wordt verteld. Het zakhorloge hangt bij een oom in de boekenkast, onder een glazen stolp.

Willem is uiteindelijk teruggekeerd uit Rusland, zoveel is zeker – en behoorde daarmee tot een schamele minderheid: van de 25.000 Nederlanders die met Napoleon naar Rusland trokken, kwamen slechts enkele honderden terug.

Maar wat hem precies is overkomen, wist ik niet. Wat gek is: ik ben historicus met een meer dan gemiddelde belangstelling voor Napoleon – ik heb zelfs een handtekening van de keizer aan de muur hangen. Maar nu dient zich een aanleiding aan om uit te zoeken wat er met de oom van de opa van mijn opa is gebeurd. Dit weekend is het 200 jaar geleden dat Napoleon Rusland binnenviel. Een mooi moment om te reconstrueren wat Willem Funnekotter heeft meegemaakt. Hoe heeft hij deze helletocht overleefd, terwijl honderdduizenden anderen sneuvelden?

Mijn zoektocht naar de feiten achter de mondelinge overlevering begint bij het Nationaal Archief in Den Haag. Daar liggen de stamboeken van het Nederlandse leger, waarin de personeelsadministratie van honderden jaren marcheren en vechten is bijgehouden. Ik tref mijn achternaamgenoot aan in meerdere banden.

Wilhelmus Funnekotter werd op 6 december 1776 in Rotterdam geboren. Hij leerde het vak van zilversmid, maar besloot op 23 maart 1793 dienst te nemen, vlak nadat Frankrijk Nederland was binnengevallen. Willem had, zo noteerde een legerklerk in zwierig schrift, bruin haar, bruine ogen, een kleine neus en mond, een ronde kin en een pokdalig gezicht. Hij mat 5 voet, 7 duim en 3 streek: 1,76 meter.

Ook nadat de Fransen de Republiek verslagen hadden, bleef Willem in het leger. Hij klom op door de rangen en kwam in 1810, het jaar dat de Nederlandse krijgsmacht werd opgeheven, terecht in het Franse 125ste Régiment Infanterie de Ligne. Met deze eenheid vertrok hij op 29 juni 1812 vanuit Groningen naar Rusland.

Het weer zat niet mee op de eerste dagen van de tocht. Kolonel Frederik Hendrik Wagner, de commandant van het 125ste regiment, schreef op 5 juli vanuit Bremen aan zijn vrouw: „Wij hebben veel regen en slegten weg op Marsch gehad hetwelk mij veele zieken heeft veroorzaakt. Anders heb ik geen klagen overden geest van mijn volk.”

De brieven van Wagner liggen bij het Collectie Informatie Centrum van het Legermuseum in Delft. Daar zijn ook de memoires te vinden van kapitein C.J. Wagevier. Hij moet Willem zeker gekend hebben; ze maakten deel uit van hetzelfde bataljon van het 125ste regiment. Op mars liepen ze niet verder dan enkele tientallen meters uit elkaar.

Wagevier beschrijft in zijn herinneringen een rustdag tijdens de tocht naar Rusland. „Gij zult u nu zeker verbeelden, waarde lezer, dat wij nu op ons gemak konden gaan, en doen, wat wij wilden. O neen! zulk een rustdag is, bij ons soldaten, al een raar ding! dat was, van den morgen tot den avond, niets anders dan appèl, inspectie, exerceeren, loopen en draven; zoodat wij des avonds even moede waren, alsof wij den ganschen dag gemarscheerd hadden”.

Op 29 september kwam het regiment aan bij de Russische stad Smolensk, hemelsbreed 1.700 kilometer van Groningen. Kolonel Wagner was ontdaan over wat hij aantrof. Rondom de stad was flink gevochten. „Smolenska moet noch voor eenige weken een schone en trotsche stad geweest zijn. (…) Niets is gespaard gebleven voor het al vernielend vuur (…) en duyzende van Lijken bedekken heden noch het slagveld”, schreef hij aan zijn vrouw.

Voor Willem Funnekotter en zijn kameraden was het moeilijk een goed onderkomen te vinden. Ze hadden al wekenlang buiten gebivakkeerd en in Smolensk stond behalve een aantal kerken geen gebouw meer overeind.

Het 125ste regiment werd ingedeeld bij de 12e divisie, onder bevel van generaal Louis Partouneaux. Deze eenheid, met relatief veel frisse mannen, moest vanaf eind oktober de sterk geslonken Grande Armée op zijn terugtocht uit Rusland zien te beschermen.

Op 23 november stuitten de naar het westen vluchtende Fransen op de Berezina. De restanten van Napoleons leger moesten zoveel mogelijk tijd krijgen om de rivier over te trekken. De 12e divisie kreeg daarom het bevel bij de stad Borisov, enkele kilometers ten zuiden van de plaats waar twee bruggen werden gebouwd, de achtervolgende Russen zo lang mogelijk tegen te houden.

Borisov was gevuld met duizenden achterblijvers, onder wie deserteurs en vrouwen. Kapitein Wagevier trof een inferno aan. „Verschrikkelijker tooneel dan hier op ons wachtte, heeft welligt nimmer eens menschenoog aanschouwd. Brand, verwoesting en dood waarden op de verschrikkelijkste wijze door elkander en schenen zich vereenigd te hebben, om al, wat adem had, te vernietigen.”

Er werd hard gevochten met de Russen. Willem Funnekotter was 35 jaar oud en had al een aantal veldslagen meegemaakt. Maar de strijd om Borisov moet voor hem een afschuwelijke ervaring zijn geweest. Keer op keer moesten hij en andere officieren van het 125ste regiment voorgaan in de strijd met een overmacht aan tegenstanders.

Al snel bleek dat de 12e divisie was omsingeld. Generaal Partouneaux had zijn orders niet goed begrepen. Hij was te lang in Borisov gebleven en toen hij eindelijk besloot naar de bruggen te marcheren, koos zijn divisie op een tweesprong de verkeerde weg, recht op het Russische leger af. De Fransen en Nederlanders werden van alle kanten bestookt, door infanterie en artillerie. Russische ruiters wachtten op hun kans om de ontredderde eenheden met een charge aan flarden te rijden. Ondertussen sneeuwde het en gaf de thermometer 25 graden vorst aan.

Kapitein Wagevier beschreef de onvermijdelijke ondergang van het 125ste regiment. „Wij kregen hier nog eenige schoten met schroot, welke vele van mijne brave krijgskameraden en landgenooten nedervelden. Nadat wij dus tot middernacht gestaan hadden, en geene hoop op uitkomst was, werd er eene capitulatie voorgeslagen, welke ook weldra tot stand kwam.”

Van de 1.600 man die vijf maanden eerder Groningen hadden verlaten, waren er 120 over.

De ochtend van 28 november begon het plunderen. Willem Funnekotter had er goed aan gedaan zijn zakhorloge te verstoppen, zo blijkt uit het verslag van Wagevier. „Ik geraakte onder eenige baldadige Russen die mij visiteerden, mij mijn horologie en geldbeurs afnamen, en, na mij beschimpt te hebben, mij verlieten. Ik moest dit alles maar geduldig verdragen, want tegenweer te bieden was geene zaak, daar ik eenen luitenant kolonel van het 44ste regement zag dood steken, omdat hij zich te weer stelde”.

De overlevenden van het 125ste regiment werden afgevoerd naar de stad Perm, even ten westen van de Oeral. Ook Willem Funnekotter ging daarheen, staat in een stamboek. Zijn verblijf daar wordt bevestigd in een andere bron, waar ik bij toeval op stuitte: een gesprek met een Nederlandse krijgsgevangene dat in 1862 werd gepubliceerd in het blad Vaderlandsche letteroefeningen.

Tweede luitenant J.C. Chr. Momberg kwam in oktober 1813 in Perm aan. Daar trof hij een aantal Nederlanders, onder wie een luitenant ‘Fennekotter’. De gouverneur van de stad, generaal Hermann, behandelde de gevangenen goed omdat hij zelf in 1799, na een mislukte Russisch-Engelse landing bij Bergen, enige tijd krijgsgevangen in Amsterdam was geweest. Hij had het daar erg naar zijn zin gehad.

Uit het dossier van Willem weet ik dat hij als korporaal aan de gevechten in Noord-Holland heeft deelgenomen. Gouverneur Hermann nodigde de Nederlandse officieren regelmatig uit voor het diner. Het kan niet anders of hij en Willem Funnekotter moeten aan de dis herinneringen hebben opgehaald aan hun gedeelde verleden.

Willem diende begin 1814 het verzoek in om de wapenen tegen Frankrijk te mogen opnemen, staat in een kort rapport dat na zijn thuiskomst is opgemaakt. Daarmee was hij eerder dan de andere krijgsgevangen, die pas van kant wisselden nadat Nederland zich definitief van Frankrijk had losgemaakt.

Willem Funnekotter was één van de weinigen die uit Rusland terugkeerden. Hij heeft ongetwijfeld veel geluk gehad. Maar dat niet alleen. In zijn dossier staat genoteerd dat hij zich „ten allen tijden zeer voordelig gedistingeerd heeft door dienstijver en vlijt en voor den vijand zig dapper en braaf gedragen heeft”.

Het laatste spoor van Willem in de archieven staat in het overlijdensregister van Delft. Op 2 juli 1829 meldde Bernardus Funnekotter, de vader van de opa van mijn opa, zich bij de gemeente. Hij verklaarde dat zijn broer, gepensioneerd kapitein Willem Funnekotter, op 1 juli bij hem thuis was overleden. In de akte wordt Den Bosch als Willems woonplaats genoemd. Kennelijk was hij bij zijn jongste broer op bezoek toen hij overleed. Misschien heeft hij het horloge op zijn sterfbed aan Bernardus geschonken; misschien gaf Willems vrouw Martina het terug aan de familie toen ze in 1837 hertrouwde.

Aan het alternatief denk ik liever niet: dat mijn voorvader het horloge achterover heeft gedrukt. Het zou wat zijn: niet beroofd door de kozakken, wel bestolen door je eigen broer.

    • Bart Funnekotter