De lekkende pijplijn naar de top

Wiskundig model toont aan: de sekseverdeling onder promovendi en postdocs wordt snel beter, maar in de opstap naar hoogleraar gaat het nog vaak mis.

Ondanks jaren universitair beleid en speciale stichtingen als Talent naar de top, lijkt het nog niet erg te vlotten met het aandeel vrouwelijke professoren. In Nederland is het percentage minder dan vijftien procent, terwijl het aandeel vrouwelijke promovendi al jaren tegen de vijftig ligt.

De vraag is hoe dat komt? Is het een kwestie van tijd voordat die vrouwelijke promovendi hoogleraar zijn? Faalt het beleid, willen vrouwen geen hoogleraar worden, of hebben de mannen die ze moeten aannemen vooroordelen of te ‘mannelijke’ beelden bij wat een goede kandidaat is?

Twee jonge mathematisch biologen, Allison Shaw (vrouw) en Daniel Stanton (man) – beiden verbonden aan de Universiteit van Princeton (VS) – hebben er nu een wiskundig model op los gelaten. Wat de wanverhouding in de hand werkt, zo concluderen Shaw en Santon, is dat in veel disciplines minder vrouwelijke gepromoveerden een vaste baan aan de universiteit krijgen, dan je op basis van aantallen vrouwelijke studenten en promovendi in de jaren ervoor zou verwachten. „Daar zit de grootste lek”, stellen ze vandaag in de Proceedings of the Royal Society B.

De twee biologen modelleerden de academische carrière als een lekkende pijplijn van student naar promovendus, naar postdoc, naar universitair docent, naar hoogleraar. Bij elke stap vallen er vrouwen en mannen af. Gebruik makend van Amerikaanse registratiecijfers tussen 1975 en 2006, berekenden ze voor verschillende disciplines hoeveel vrouwelijke docenten en hoogleraren in 2006 verwacht mochten worden, louter op basis van de aantallen studenten en aio’s in de jaren ervoor. Waar het afwijkt, zo veronderstellen ze, spelen voorkeuren een rol.

Onder de Amerikaanse promovendi en postdocs waren er in 2006 iets meer vrouwen dan je alleen volgens de historische inhaalslag mocht verwachten. Vrouwen of degenen die hen aannamen hadden in de jaren ervoor dus extra hun best gedaan, al was dit bij bijvoorbeeld Engels wel meer het geval dan bij wiskunde en natuurkunde. Maar in het traject naar een universitaire aanstelling werden juist minder vrouwen aangesteld dan puur op basis van eerdere cijfers was te verwachten. Zo zou 48 procent van de universitair docenten biologie vrouw moeten zijn als vrouwen in de jaren ervoor evenveel kans hadden om door te stromen als mannelijke studenten en promovendi. Maar dit was slechts 32 procent. Bij psychologie zou het 73 procent moeten zijn; het was 53 procent.

Eenmaal docent, was de volgende carrièrestap naar hoogleraar ongeveer volgens verwachting. Bij bijvoorbeeld biologie rekende het model op basis van de vrouwelijke docentschappen uit dat 22 procent van de hoogleraren vrouw moest zijn, het was zelfs 26 procent.

De andere grote lek, schrijven de auteurs, zit aan het begin van de carrière, al geldt dat alleen voor de harde bètavakken als wiskunde, chemische technologie en computertechnologie. Deze trokken in 2006 nog steeds maar 20 procent meisjes aan, terwijl op de middelbare scholen de prestaties in bètavakken van meisjes en jongens al jaren ervoor vergelijkbaar waren.

Arbeidssocioloog Inge Bleijenbergh van de Radboud Universiteit Nijmegen, wiens groep ook de oorzaken onderzoekt, vindt het een „heel bruikbaar model”. En wat de conclusies betreft: „In Nederland zien we hetzelfde patroon.” Bijvoorbeeld in de techniek, was in 2010 6 procent hoogleraar, in de taalwetenschappen 19 procent. Volgens Bleijenbergh zou het helpen als in de sollicitatiecommissies en in de netwerken die hoogleraren werven meer vrouwen zitten. Ook zouden universiteiten moeten streven naar méér dan vijftig procent vrouwen bij het aannemen. Bleijenbergh: „Wij hebben uitgerekend dat bij vijftig procent nieuwe vrouwelijke hoogleraren er pas in 2050 een gelijke verdeling is; bij minder, zoals nu het geval is, kom je daar nooit.”

    • Marianne Heselmans
    • Paul van der Steen