De Bovenbazen (35)

Er woei inderdaad een frisse wind door de insectenbestrijding, dat bleek al spoedig. Op het door de krachtige bespuitingen zo brake land verrees met grote snelheid een fabriek vol elektronische snufjes voor de aanmaak van mechanische spinnen. Dit werk werd geleid door de ddt-koning persoonlijk.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat kon men hem bij de bouw waarnemen; hier een bouwvakker hinderend met een kort, opbeurend woord en daar een nachtwaker tot grotere spoed aanzettend. Op een morgen kwam hij zo doende Tom Poes tegen, die op weg was om een kijkje te nemen.

‘Dat is nu vervelend,’ mompelde heer Ollie, haastig een andere kant uitkijkend. ‘Men heeft mij verboden om met onvermogenden om te gaan. Maar het staat mij tegen; als hij mij aanspreekt, zal ik toch…’ Op dat moment bemerkte hij dat Tom Poes hem zonder groet gepasseerd was – en met opkomende ergernis hield hij de pas in.

‘Dat is het toppunt!’ zei heer Bommel, zich omdraaiend. ‘Dat gaat te ver!’ vervolgde hij, terwijl hij met grote stappen achter Tom Poes aandraafde. ‘Waarom negeer je mij? Als ik jou niet mag zien is dat nog geen reden om mij niet te zien, als je begrijpt, wat ik bedoel! Ik bedoel… eh… men heeft mij gezegd dat ik beter niet meer met je kan omgaan, bedoel ik.’

‘Ja,’ zei Tom Poes, ‘dat heb ik gehoord. Daarom maak ik het u niet moeilijk. Dag, heer Ollie!’ Hij liep door en heer Bommel bleef in tweestrijd achter.

    • Marten Toonder