Cast en crew kneep hij uit als citroenen

Filmmuseum Eye eert Stanley Kubrick met een expositie en filmcyclus. Een genie dat zichzelf noch zijn films wilde verklaren.

Coen van Zwol

Als cineast is Stanley Kubrick allang voorbij goed en slecht. Je houdt ervan of niet, maar zijn meesterschap ontkennen is futiel. Daarvoor is hij te rotsvast verankerd in de filmcanon, schiep hij te veel iconische momenten: majoor ‘King’ Kong die de waterstofbom berijdt als een rodeostier in Dr. Strangelove, het neurotische rode oog van computer HAL in 2001, Jack Nicholsons trekkebekkende „Here’s Johnny!” in The Shining.

In Filmmuseum Eye kunnen zijn fans vanaf vandaag eerbiedig langs de relieken schuifelen: decors, storyboards, rekwisieten en aantekeningen. Want Kubrick leeft, zijn films verstoffen niet, maar rijpen. A Clockwork Orange is met al zijn pop-art en ‘brutalistische’ betonarchitectuur geen grappige retro uit de jaren zeventig geworden, maar blijft een onthutsende sciencefictionfabel over psychopathologie en geweld. Dertig jaar na dato lijkt het zich in een parallel universum af te spelen: Kubrickland.

Kubrick blijft een inspiratie voor filmmakers. Een regisseur die met Hollywoodbudgetten volstrekt eigengereide films maakte, vanaf de ‘onverfilmbare’ pedoroman Lolita (1962) steeds met het risico zichzelf belachelijk te maken. Keer op keer verklaarden critici en studiobazen hem dood. „Kubrick is finished”, monkelde een bejaarde MGM-functionaris in 1968 bij de première van het in zijn ogen slaapverwekkende 2001: A Space Odyssey. Te vroeg gejuicht, al kwam Kubricks succes vaak uit onverwachte hoek. Bij 2001 schoot de ‘hallucinerende klasse’ te hulp, die de film massaal onderging onder invloed van marihuana of lsd. Britse hooligans zagen in psychopaat Alex van A Clockwork Orange een idool; de geschrokken Kubrick liet de film niet meer in het Verenigd Koninkrijk draaien.

Dat was begin jaren 70, toen een film van Kubrick een evenement was. Een Kubrick moest de wereld op zijn grondvesten doen schudden. Simpelweg een prachtige film maken, zoals het in 18de-eeuws tempo vertelde kostuumdrama Barry Lyndon uit 1975, stond gelijk aan falen. De lat lag heel hoog: Kubrick had hem daar zelf gelegd.

Stanley Kubrick overleed in zijn slaap op 7 maart 1999 op zijn Engelse landgoed Childwickbury Manor, vier dagen na het afmonteren van Eyes Wide Shut. Een film die postuum de kritiek verdeelde, zoals vaak: velen zagen in deze angstdroom over jaloezie, seksuele onmacht en voyeurisme een preutse defensie van de monogamie. Zo simpel lag het niet, zoals er vaker een kloof gaapte tussen de filmmaker die dertig jaar aan een project werkte en de criticus die hem voor het avondeten besprak.

Zelfs de minste van zijn twaalf serieuze speelfilms kan je zien en herzien: gepolijst, weloverwogen, vol dubbele bodems, mystificaties en ironie. De oude verwijten – Kubrick is kil, steriel – klinken nu zo relevant als keizer Leopold II’s observatie dat Mozarts muziek te veel noten bevatte. Het was juist wat Kubrick tot Kubrick maakte: films die niet in slaap sussen, maar afstand en vervreemding scheppen.

Stanley Kubrick werd in 1928 geboren als oudste zoon in een welvarend joods doktersgezin in de Bronx, New York. Een ongeïnteresseerde, hoogst intelligente scholier – gebiologeerd door fotografie vanaf het moment dat zijn vader hem een camera gaf. Als 17-jarige was hij al in dienst van fotoblad Look. Vijf jaar later volgde film.

Kubrick lijkt op oude foto’s een Mr. Bean met brein: slungelig, starende ogen als knikkers, wenkbrauwen in verbaasde frons. Hij stond bekend als stroef in de omgang, maar tevens als eigengereid, competent en volstrekt zelfverzekerd. Na zijn te hoog gegrepen debuut Fear and Desire (1953) brachten de visueel ijzersterke, maar simplistische en zwak geacteerde film noir Killer’s Kiss (1955) en gangsterfilm The Killing (1956) hem onder de aandacht van Hollywood: de laatste was een non-lineair verhaal over een overval met een neurotische vertelstem. Dat, naast zijn hang naar hoge of lage camerastandpunten en groothoeklenzen, verraadde invloed van Orson Welles. Kubrick zelf noemde Max Ophüls als zijn voorbeeld, met name de zwierige, lange camerabewegingen door labyrintische decors – de loopgraven in Paths of Glory, de lange gangen van het Overlook Hotel in The Shining.

Superster Kirk Douglas adopteerde het wonderkind en speelde majoor Dax in Kubricks anti-oorlogsfilm Paths of Glory (1957) in ruil voor een wurgcontract, waarvan Kubrick zich bevrijdde met een succesvolle invalsbeurt als regisseur van het klassieke epos Spartacus (1960).

Kubrick geloofde niet zo in verheven motieven: hij zag de mens als prooi van instinct en impuls. Prachtige plannen sneuvelden steevast op toeval, kwaadaardigheid en menselijk tekort. Slechts in één film handelen mensen redelijk: in 2001 – maar daar ontpopt de ‘onfeilbare’ computer HAL zich tot neuroticus.

Zijn reputatie van kilheid ligt in die misantropie, vaak verwoord door een spottende vertelstem. Maar humorloos, een ander verwijt aan Kubrick, was hij niet. Volgens Michael Herr neigde Kubricks privé tot dubbelzinnige ondeugendheid en politiek incorrecte grapjes („Wat is de Amerikaanse droom, Michael? Tien miljoen negers die terugzwemmen naar Afrika met een jood onder de arm.”) Dat schemerde soms in zijn films door, maar gangbaarder was satire, zeker na zijn briljante inval om Lolita (1962) en Dr. Strangelove (1964) als zwarte komedies te filmen. Dat hield deprimerende onderwerpen als pedofilie en de nucleaire holocaust dragelijk.

Met die twee films was het controversiële genie Kubrick geboren: sindsdien had hij de final cut over zijn films en een soort carte blanche van studio Warner Bros. Wel kostte het hem steeds meer tijd om aan de hoge verwachtingen te voldoen. Als gadgetfreak was hij steeds op jacht naar nieuwe hightech. Research, draaitijd en montage duurden langer, scripts waren geen vertellingen in drie aktes meer, maar traktaten in twee spiegelende delen (A Clockwork Orange, Full Metal Jacket) of in segmenten waarbij 400.000 jaar even werd overbrugd door een bot dat in een ruimteschip verandert (2001). Een script, orakelde Kubrick, bestond uit zes tot acht ‘onzinkbare eenheden’: dragende scènes die je in willekeurige volgorde kan vertonen. De kijker legt zelf de verbanden wel.

In de jaren 60 groeide ook de legende van Kubrick als neurotisch kluizenaar. Na zijn huwelijk met Christiane Harlan in 1958 trok hij zich met twee dochters en pleegdochter terug op zijn landhuis Childwickbury Manor. Wegens vliegangst filmde hij op reisafstand van huis, chauffeurs verbood hij sneller dan 50 kilometer te rijden. Maar kluizenaar was hij allerminst: zo noem je iemand die niet met journalisten praat, grapte dochter Anya ooit. Thuis ontving hij zijn intimi, met de rest van de wereld communiceerde hij per telefoon.

Op de set was Kubrick soms een veeleisend tiran. Zelfs op familiefilmpjes hoor je hem foeteren als er een kind door het beeld loopt. Een generaal die zijn cast en crew uitkneep als citroenen, afpeigerde, afzette, wurgcontracten oplegde, in en uit de gratie liet rouleren en aan bizarre machtspelletjes onderwierp. Biograaf John Baxter schept het beeld van een gewiekste observator en manipulator die als jonge broodschaker in Greenwich Village had geleerd patzers (bluffers) af te troeven.

Een psycholoog heeft Kubrick postuum gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger: een hoogfunctionele vorm van autisme. Dat zou veel verklaren: zijn gebrek aan empathie, zijn pessimisme over de menselijke aard, zijn geobsedeerd rubriceren – Kubrick noteerde alles in notitieblokjes.

Feit is dat Kubrick zichzelf noch zijn films nader verklaarde. Is de Mona Lisa beter als Leonardo da Vinci eronder had gekrabbeld waarom zij glimlacht, vroeg hij ooit. Speculeren, intenties vinden die de regisseur zelf niet vermoedt: dat mysterie houdt films nu juist interessant, vond hij. Bij Kubrick zelf is de bodem nog lang niet in zicht.

De films van Stanley Kubrick zijn te zien in Eye, Amsterdam t/m 9 sept. eyefilm.nl

    • Coen van Zwol