Blazen Honken Toeteren

Foto Vincent Mentzel

We zaten klaar. Een rijtje van vier muziekvrienden. Een theaterregisseur, een bassist, een gitarist en ik. Vorig jaar allemaal een avond vrijgehouden om op North Sea rond te kunnen lopen. Na uren los van elkaar zwerven waren we voor het eerst met z’n allen in dezelfde zaal.

We hadden vroeg afgesproken om zeker te zijn van goede plekken bij het kwartet van saxofonist Branford Marsalis.

Ik val op blazers. De liefde voor tenorsaxofoon begon met Dexter Gordon op een Blue Note-plaat: A swingin’ affair. Ik was zestien en hoorde het eerste nummer, Soy Califa. Eerst nog een paar rimshots van drummer Billy Higgins en toen dat hese geluid uit de tenor van Dexter.

Ik was verkocht. Verslaafd. Voor het leven.

Sinds die tijd ging een stroom aan noten van saxofonisten door mijn gehoorgang. Eddie Lockjaw Davis die pas na een halve liter zware drank aan het werk ging. Sonny Rollins in grommende calypso’s, Archie Shepp met slijmslierten aan sax en kostuum, Chris Potter met zijn boventonen, David Sanchez met een waterval van dansende noten.

Blazen. Honken. Toeteren.

Branford Marsalis zou een van de laatste concerten van de avond spelen. Enigszins vermoeid en onrustig kwam het kwartet op het podium voor een snelle soundcheck. Later hoorde ik dat drummer Justin Faulkner aanvankelijk zoek was. Marsalis zocht een vervanger en was bevriend met de Nederlandse drummer Joost Patocka. Zo goed zelfs dat Marsalis ooit via Patocka aan een Feyenoordtenue kwam; de Amerikaanse saxofonist verzamelt voetbalshirts. Dolblij was hij geweest, een shirt met de achternaam van Pieter Collen erop. Een zeer matige back die meestal op reservebank zat.

Wist Marsalis veel.

Patocka moest invallen. Op van de zenuwen maakte hij een grap over de gage. „Shut up and play”, had Marsalis met een grijns geantwoord. Uiteindelijk kwam drummer Faulkner kort voor aanvang opdraven. Patocka hoefde niet te spelen.

Wat de jazz met de vier Amerikaanse musici met jetlag deed was fascinerend. Al in de eerste nummers laafden ze zich aan het ritme, aan de harmonische vondsten. De muziek gaf energie. Ze spoten weg, als bolides.

Justin Faulkner sloeg als een wezenloze, hard en onstuimig. Met de punt van de voet niet mee te tikken ritmes. Zijn overhemd vertoonde na het eerste nummer al vochtplekken. En Marsalis, hij blies er op zijn beurt weer dwars doorheen.

Ik keek naast me. Drie lachende gezichten. Hoofdschuddend luisterden we naar het kwartet dat van het podium leek op te stijgen. Na een uur en een kwartier was het voorbij. Doodmoe en gelukkig van het luisteren.

Als we elkaar zien, komt het concert van Marsalis op North Sea Jazz Festival 2011 nog wel eens ter sprake. Het bizarre is; echt terughalen kunnen we het niet meer. Het zit ver weg opgeborgen in ons geheugen, als een kleinood.

De bevlogen altsaxofonist Eric Dolphy zei in 1964 al over jazz: „When you hear music, after it’s over, it’s gone in the air. You can never capture it again.”

    • Wilfried de Jong