Raadselachtig

Op 26 juni is het precies een jaar geleden dat de schrijver Heere Heeresma op 79-jarige leeftijd overleed. Ter gelegenheid daarvan heeft Uitgelezen Boeken, een onregelmatig verschijnend tijdschrift ‘voor boekverkopers en boekenkopers’, een hele aflevering aan Heeresma gewijd. Vrienden, familieleden en collega-schrijvers geven hun visie op hem.

Het heeft een stroom vaak boeiende herinneringen en anekdotes losgemaakt, voor iedere Heeresma-liefhebber de moeite waard. Maar één illusie zullen deze liefhebbers, onder wie ik, snel moeten opgeven: vooralsnog blijft Heeresma in zijn handel en wandel even raadselachtig als hij altijd geweest is.

Er komen in Uitgelezen Boeken nogal wat mensen aan het woord die Heeresma korte of langere tijd meegemaakt hebben: radiomakers (Anton de Goede, Wim Noordhoek) die met hem samenwerkten, familieleden (neef Jaap van der Zwan), interviewers, een uitgever, maar niemand wekt de indruk Heeresma werkelijk te kunnen doorgronden. Zelfs de meest praktische vragen blijven onbeantwoord, zoals: waar leefde hij van en waar hing hij al die jaren rond?

Zijn zoon, Heere Heeresma junior, blijkt in zijn bijdrage niet genegen een tip van die sluier op te lichten. Toch zou het interessant zijn als hij de taak van biograaf op zich nam, al was het maar in de vorm van een autobiografisch geschrift.

De verdienste van de samenstellers is dat uit al deze bijdragen een veelkantig beeld van Heeresma oprijst.

De één (Ite Rümke) herinnert zich hem als een gevoelige man, die haar een mooi briefje schreef bij de dood van haar moeder: „De dood is zo schandelijk definitief en bovendien onrechtvaardig. […] Ach, het komt het gaat. Van sochtends vroeg tot savonds laat. En nog iets. Ben je nu een wees?” De ander (Wim Brands) ervoer hem vooral als een wantrouwige man: „Hij vertrouwde niemand. Zichzelf misschien ook wel niet. Hij was ondergedoken in zijn eigen leven. Een dominante man die geen sporen wilde nalaten.”

Je vindt ook de pesterige, satanische kant, bekend uit zijn boeken, volop terug. Wim Zaal, Elsevier-boekenredacteur, ontdekte dat Heeresma een ongunstige recensie had geschreven over een boek (van Manuel van Loggem) dat hij helemaal niet gelezen had. „Beschouw het stukje als creatief proza”, reageerde Heeresma.

Hans Plomp komt terloops met een veel ernstiger beschuldiging: „Zo chanteerde hij in de jaren zestig uitgever Johan Polak, die nog niet uit de kast was gekomen als homo. Twee vliegen in één klap: het leverde hem geld op en voor Johan was het ook goed, want die moest zijn angst om voor zijn geaardheid uit te komen maar eens overwinnen…”

Bijbelleraar André Piet wijst erop dat Heeresma, evenals zijn vader die theoloog was, een religieus voelend mens was met grote kennis van de Bijbel. Dat verklaart misschien ook waarom de ironie in zijn werk op den duur terrein verloor aan de onversneden ernst.

Neef Jaap genoot het treurige voorrecht om een stervende Heeresma mee te maken. Twee dagen voor zijn dood in het Rosa Spierhuis in Laren was hij nog helder van geest. Heeresma stond erop dat ze samen een half uurtje liedjes zongen als ‘Waar de blanke top der duinen’, ‘Hoog op de gele wagen’ en ‘Scheepje onder Jezus’ hoede’. Toen kwam de zuster binnen om hem „naar een kleiner kamertje” te brengen.

„Misschien”, schrijft Van der Zwan, „zag Heere de schrik op mijn gezicht. ‘Ga nu maar, ik ben moe. Alles is goed.’”

    • Frits Abrahams