Optimisme in Rio (ja, echt!)

Je moet wel een onverwoestbare optimist zijn, wil je nog iets positiefs ontdekken in de officiële onderhandelingen over het slotdocument van de wereldmilieutop in Rio deze week. Wie geen ervaring heeft met dergelijke vertoningen van de VN en haar lidstaten, kan zich bijna geen voorstelling maken van hoe het toegaat. In kleine raamloze kamertjes, vaak met te weinig stoelen en slechte ventilatie, proberen diplomaten tot diep in de nacht het eens te worden. Het gaat om teksten die lezen als een postmoderne roman, vol met paginalange passages tussen haakjes en vervreemdende formuleringen.

Een beeld mag sterker zijn dan duizend woorden, in de VN komt alles aan op taal en vertaling. Ogenschijnlijk onschuldige uitdrukkingen blijken een heel eigen leven te leiden en te werken als een rode lap op een stier. Zo stuit het begrip multifunctionaliteit, een term waar de EU dol op is, al jaren op rabiate tegenwerking omdat Zuid-Amerikanen die term interpreteren als een slinkse manier om steun aan boeren te rechtvaardigen en daarmee de wereldmarkt te verzieken.

Om een voorbeeld te geven uit de huidige ontwerptekst: bij afspraken over visserijquota draait alles om de term where possible (waar mogelijk). Ja, denk je dan als eenvoudige burger, natuurlijk spreek je niet af iets onmogelijks te doen. Maar zo leest een doorgewinterde onderhandelaar die woorden niet! Where possible betekent: „alleen waar en wanneer het mijn land uitkomt en dan nog”. Onderhandelen is een vorm van het verfijnen van de details die eerder verslavend dan verhelderend werkt.

Je moet wel een onverwoestbare optimist zijn, wil je nog de moed hebben voor een herhaling van de patstelling die de VN-ontmoetingen van de laatste jaren tot mislukken heeft gedoemd. De onderhandelingen over klimaat zijn door bijna iedereen, behalve een verstokte activist, afgeschreven, en met de rondes van de Wereldhandelsorganisatie gaat het niet beter.

Green Economy is het hoofdthema van deze top, en ook hier staan, zoals verwacht, de opkomende economieën (en dat zijn er steeds meer) lijnrecht tegenover de geïndustrialiseerde of OESO-landen. Over milieudoelen kan alleen onderhandeld worden als er geld op tafel komt. Om preciezer te zijn: geld van rijke landen om de arme landen te compenseren voor het niet gebruiken van bossen, het niet indammen van rivieren en de kosten van het verminderen van de CO2-uitstoot. En als het om handel gaat, dan wordt iedere milieudoelstelling een onacceptabele handelsbarrière. Jullie westerlingen hebben eeuwenlang jullie bossen gekapt, en nu mogen wij dat niet vanwege het milieu? Of als wij kinderarbeid willen inzetten, dan is dat onze zaak en mag het geen reden zijn voor het sluiten van grenzen.

Je moet echter een onverwoestbare optimist zijn, want ondanks alles gebeurt er meer positiefs dan je denkt. Natuurlijk is het een dolgedraaid circus met naar schatting 75.000 deelnemers, een politiemacht van 15.000 en meer dan honderd regeringsleiders of staatshoofden. Wie denkt dat alles zich deze week in Rio afspeelt, vergist zich. Een top is slechts het topje van de ijsberg, of liever de suikerberg, om in de sfeer van Rio te blijven. Onder de top schuilt van alles: allerlei vormen van activiteit en overleg, stukken die geschreven worden om juist nu klaar te zijn. Door lokale overheden, consumenten- en milieugroepen, ronde tafels van het bedrijfsleven en noem maar op. De top is het kristallisatiepunt waar iedereen naartoe leeft. Niet de uiteindelijke tekst telt, maar de voorbereidingen zelf, die leiden tot meer publieke en dus politieke steun voor het milieu.

Een top is altijd een momentopname. Zover zijn we. Niet erg ver, maar ook niet nergens. Wie de vooruitgang van Rio+20 wil begrijpen, moet niet twintig jaar terugkijken naar de eerste top van Rio, maar veertig jaar terug. Toen, in Stockholm in 1972, werd voor het eerst op een internationaal niveau gesproken over milieu. In iets meer dan een generatie heeft de mensheid geleerd dat er grenzen aan de groei zitten, niet in de betekenis van de Club van Rome met zijn acute uitputting van hulpbronnen, maar in de zin dat de groei de grenzen van het ecosysteem niet moet overschrijden. Dat is een revolutionaire stap vooruit in tienduizenden jaren geschiedenis van uitgeputte landbouwgronden, opgedroogde waterputten, vervuilende mijnen en vergiftigde steden.

Je mag ook een optimist zijn over Rio. In veel opzichten bestaat de Groene Economie al, bij burgers en bedrijfsleven. Overheden moeten nu snel volgen om barrières weg te nemen door het principe van de vervuiler betaalt in te voeren. En met ons allen moeten we het automatisme veranderen dat drijft tot het consumeren van telkens meer. Ook dat inzicht daagt in China, maar het moet hun eigen keuze zijn, niet opgelegd door het Westen. Technologie helpt hier. Wie had veertig jaar geleden gedacht dat zonnecellen en windmolens, elektrische auto’s, pesticidevrij katoen en gerecyclede plastic zakken zo gewoon zouden worden dat ze niet eens meer opvallen?

    • Louise O. Fresco