Nog lang niet rijp voor het museum

Zijn invloed strekt zich uit van Hollywoodspektakel tot Europese arthouse. Stanley Kubrick is nog lang niet dood.

CHRISTIAN BALE as Batman in Warner Bros. Pictures’ and Legendary Pictures’ action thriller “THE DARK KNIGHT RISES,” a Warner Bros. Pictures release. TM and © DC Comics

De films van Stanley Kubrick zijn nog steeds niet uitgewerkt. Voor een filmmaker als de Vlaming Nicolas Provost, die momenteel furore maakt in filmhuizen met het indringende The Invader, is Kubrick de grootste filmmaker die er ooit heeft geleefd. En ook meteen de grootste van de toekomst. „Ik denk niet dat er ooit nog een grotere regisseur zal opstaan”, zei hij begin dit jaar, tijdens een gesprek op het Rotterdams filmfestival. „Welke films van Kubrick belangrijk voor me zijn? Allemaal! Alleen met Full Metal Jacket heb ik wat minder.”

Met de bewondering en het respect van collega’s voor het werk van Kubrick zit het wel goed, ook bij de generatie die te jong is om zijn films nog te hebben gezien toen ze uitkwamen in de bioscoop. Martin Scorsese verklaarde ooit dat Kubrick eigenlijk geen navolgers heeft, omdat zijn werk zo groots en imposant is dat geen collega het aandurfde in zijn voetsporen te treden. Maar dat ligt toch wat ingewikkelder. Kubrick had de onhebbelijkheid om zijn principes en ideeën tot het uiterste door te voeren. Zo’n houding was en is een zeldzaamheid. Maar in enigszins verwaterde versies is Kubricks invloed zeer groot.

Het unieke van Kubrick is dat die invloed zich uitstrekt van kleine Europese arthouse tot spektakelfilms uit Hollywood. Die ‘dubbele’ erfenis past bij een regisseur die met zijn ene been in de hoge kunst stond, en met zijn andere in de filmindustrie. Zo’n blijvende – eigenlijk: zich steeds vernieuwende – invloed is geen vanzelfsprekendheid. Voor de meeste grote filmmakers uit het verleden gaat dat helemaal niet op. Hun films zijn bijgezet in de historie, hun aura is museaal. In het werk van Kubrick daarentegen zitten uitdagingen die tot op de dag van vandaag prikkelen.

In The Invader is Kubricks invloed duidelijk te zien in wat Provost omschrijft als „het spel van warm en koud”. De beelden zijn expressief, kleurrijk, indringend, emotioneel, maar de emoties zijn wel gefilterd door een stevig intellect, dat iedere vorm van zelfmedelijden, sentiment of pathetiek uitsluit. Noem het cerebraal expressionisme – een onmogelijke combinatie, die dankzij het werk van Kubrick niet onmogelijk bleek te zijn. Kubrick was de meester van de intellectuele emotie – wellicht zijn belangrijkste erfenis aan toekomstige filmmakers.

Ook Lars von Trier verklaart onomwonden: „Ik ben een Kubrickman.” Von Trier was een filmstudent van begin twintig toen Barry Lyndon in de bioscoop kwam, zijn beslissende film, al viel hij de eerste keer dat hij de film zag wel in slaap. Het gebruik van een ironische voice-over, de verdeling in hoofdstukken van films als Dogville en Manderlay? „Allemaal Kubrick”, aldus Von Trier. Zou hij het hebben aangedurfd om zijn Melancholia zo onder te dompelen in de onverwoestbare muziek van Wagners Tristan und Isolde, als Kubrick niet het voorbeeld had gegeven hoe serieuze muziek in film kan worden geïntegreerd?

Ondertussen in Hollywood. Terrence Malick greep terug op de (niet-digitale) effecten van 2001: A Space Odyssey voor zijn The Tree of Life. Het mensbeeld (zwart), het gebruik van muziek (dominant, agressief), en het tempo (lange takes) van een film als There Will Be Blood van Paul Thomas Anderson is niet goed denkbaar zonder Kubrick. Als het gaat om obsessief perfectionisme en diepe weerzin tegen iedere neiging tot vals sentiment, heeft Kubrick vermoedelijk geen betere leerling dan David Fincher. Ook als het gaat om het opwaarderen van pulpgenres tot perfect geslepen diamanten, heeft Fincher in films als Zodiac en Seven goed gekeken naar zijn grote voorganger. Zijn meest kubrickiaanse film is The Curious Case of Benjamin Button: een film vol innovatieve special effects, zonder veel plot in de conventionele betekenis van het woord, en een verhaal met een zekere filosofische lading: wat gebeurt er met een mens gedurende zijn levensloop, als iemand steeds jonger wordt in plaats van ouder.

Christopher Nolan maakt spektakelfilms met voor spektakelfilms ongekende ernst en diepgang, met name in zijn meesterwerk, The Dark Knight. Hoe kan dat? Door Kubrick. Nolan noemt dan ook als eerste 2001 als hem gevraagd wordt naar de films die hem hebben gevormd. En Blade Runner van Ridley Scott, maar die film is zelf ook weer schatplichtig aan 2001, waarin Kubrick liet zien wat er allemaal mogelijk is in sciencefiction, met een combinatie van wetenschappelijke precisie, filosofische speculatie en ‘oceanische’, mystieke verwondering. Avatar van James Cameron heeft ook kunnen profiteren van Kubricks baanbrekende werk.

Christopher Nolan schrijft zijn eigen films (vaak met zijn broer Jonathan); hij heeft de volledige artistieke controle over zijn films, ook al zijn er megabudgetten van honderden miljoenen mee gemoeid; hij verblijft het grootste deel van het jaar in zijn eigen studio in Engeland en bewaart zo ook geografisch de nodige afstand tot Hollywood; hij neemt de tijd die hij nodig heeft en is een perfectionist, wat allesbehalve vanzelf spreekt, want het beest-Hollywood heeft voortdurend honger en wil worden gevoed.

Dat ruikt allemaal naar Kubrick. Nolan is misschien ook de hedendaagse filmaker die het meeste last heeft van de vergelijking. Toen Inception (2010) in de bioscoop kwam ontstond er een debat op filmblogs over de vraag: is Nolan de nieuwe Kubrick? Met als voorspelbare (maar niet onjuiste) conclusie: nee, Kubrick was veel beter. Pech dat net Inception de film van Nolan moest zijn, die deze discussie losmaakte; een van zijn zwakkere films. Maar ook begrijpelijk, want met het thema van tijdreizen, en afdalen in droomwerelden, de cerebrale aanpak, de grote ernst van Nolans benadering, was Inception een film die Kubrick had willen zien.

Andere films van Nolan kunnen de vergelijking beter aan. The Joker (Heath Ledger) in The Dark Knight is een belichaming van de duistere krochten van het menselijk onderbewustzijn, die niet onderdoet voor de hooligan Alex in A Clockwork Orange. Ook de ironische geweldsexplosies in Finchers Fight Club vertonen overigens enige verwantschap met die film. Als deze zomer de langverwachte afsluiter van Nolans Batmantrilogie uitkomt, The Dark Knight Rises, zal de discussie of Nolan nu wel of niet de nieuwe Kubrick mag heten, vermoedelijk wel weer even oplaaien.

    • Peter de Bruijn