Hoogmoed in het knekelhuis

Het financiële debacle bij woningcorporatie Vestia is geëindigd in een miljardenstrop voor de hele sociale volkshuisvesting. Dit echec is een nieuw dieptepunt in een bedrijfstak die is afgegleden naar een knekelhuis van geknakte reputaties, opgeklopte beloningen, wanbeleid, frauderende bestuurders en onzinnig zonnige prognoses.

De strop bij Vestia, de grootste corporatie van Nederland, loopt op tot 2 miljard euro. De bedrag moet om te beginnen door Vestia zelf worden betaald. Dochterbedrijven en 15.000 woningen (eenzesde van het bezit) gaan in de verkoop. Huren stijgen.

Maar het fiasco wordt elders ook afgewenteld. Gemeenten als Rotterdam en Den Haag, waar Vestia het merendeel van zijn bezit heeft, moeten in sociale woningbouw en wijkenvernieuwing verder met een corporatie op zwart zaad. De vierhonderd andere woningcorporaties moeten intussen bijspringen via een heffing van 700 miljoen euro.

De verplichte heffing is extra pijnlijk omdat de corporaties te kampen hebben met de stagnatie op de huizenmarkt, waardoor ze minder geld kunnen vrijmaken door een deel van hun woningbestand te verkopen. Zij moeten al sinds enkele jaren winstbelasting betalen. En zij zullen nu ook nog eens worden aangeslagen voor een nieuwe verhuurdersheffing.

Sommige corporaties staan bovendien zelf ook onder verscherpt toezicht. Nog meer corporaties kampen met argwanende banken, die de kredieten afknijpen. Argwanend, met dank aan Vestia.

Hoe duur de oplossing ook is, de uitkomst van het Vestia-debacle is een logisch gevolg van de privaat-publieke verhoudingen in de sector. De financiële risico’s van één corporatie zijn de risico’s van alle andere corporaties en, uiteindelijk, van de Rijksoverheid. Ook andere bedrijfstaken kennen zulke zekerheidsconstructies, zoals de garantie op spaargelden bij banken. Zulke constructies geven de schijn van zekerheid. Maar uiteindelijk is het de gemeenschap die voor tekorten opdraait.

Het Vestia-debacle is de katalysator geweest voor een parlementaire enquête naar woningcorporaties. Er lopen nog meer onderzoeken.

Maar drie conclusies kunnen nu al worden getrokken. Ten eerste: de corporaties zijn te groot geworden, met dito financiële risico’s en stroppen. Ten tweede: het toezicht moet rap worden verbeterd, zowel door commissarissen bij de afzonderlijke corporaties én hun accountant als door externe controle. Nu is bijvoorbeeld onduidelijk welke controleur welke bevoegdheden heeft en kan ingrijpen. Ten derde, maar niet als laatste: hoeveel sociale huurwoningen heeft Nederland eigenlijk nodig?

De corporaties hebben een cruciale rol gespeeld in de Nederlandse volkshuisvesting. Maar met de affaires van de laatste jaren hebben zij niet alleen hun eigen maar ook het collectieve belang grof verkwanseld.