Drie Afrikanen in worstwalm van Gullegem

In het peloton worden ze soms raar aangekeken, de Ethiopische renners van Team Marco Polo. In Europa moeten ze de mores van het vak leren.

Het bijna afgewerkte Generaal Fochplein in Leuven. WVM

Je ziet toeschouwers een tweede keer kijken, als Estifanos Gebresilassie, Binyam Bekele en Alem Abebe langs rijden. Telkens worden de drie renners nagekeken in Gullegem, voor de start in het West-Vlaamse dorp. Een donkere renner is al een uitzondering in het profpeloton. Drie tegelijkertijd, dat hebben ze in Gullegem nog nooit gezien.

De drie Ethiopische wielrenners zijn er aan gewend. „Ze hebben hier nog nooit een zwarte jongen op een racefiets gezien”, had Binyam Bekele al lachend aangekondigd. Van de renners in het peloton krijgen ze wel eens rare blikken. Of ze worden weggeduwd, omdat niemand achter zo’n vreemde Ethiopiër wil rijden. Bekele: „Als wij in ons land koersen, fietsen we ook niet achter iemand uit een andere regio. Je weet nooit wat voor gekke dingen hij gaat doen.”

Estifanos Gebresilassie, Binyam Bekele en Alem Abebe zijn wielrenners van het het Marco Polo Cycling Team. Een kleine Nederlands-Vlaamse ploeg, die met een licentie van de Ethiopische wielerbond aan koersen meedoet. De Marco Polo-ploeg werd in de jaren 90 opgericht door fietsavonturiers, vertelt eigenaar Gudo Kramer in Gullegem. Hij reed met een groep amateurrenners voor de lol exotische koersen, zoals de Ronde van Soerabaya in Indonesië. In Estland werd hij ooit zevende.

In elke koers kwam Kramer dezelfde renners tegen. Wielrenners die keihard trainden. Ook talent hadden. En droomden van de Tour de France, maar Parijs nooit zouden halen. Simpelweg omdat ze niet in Gullegem, Grenoble of Genua waren geboren en nooit zouden worden opgemerkt door Europese profploegen. Na een paar jaar besloten Kramer en de anderen om een wielerploeg op te richten en daarmee „de wielersport in niet-traditionele wielerlanden te steunen”, zoals Kramer het omschrijft. Team Marco Polo richtte zich eerst op Aziatische wielrenners. De ploeg werd het Aziatische satellietteam van de ploeg van Tourwinnaar Lance Armstrong, en ging ook een samenwerking aan met de Chinese wielerbond. Sinds dit jaar is er een overeenkomst met de bond van Ethiopië, en biedt de ploeg onderdak aan Ethiopische stagiairs.

Gebresilassie (24), Bekele (24) en Abebe (21) behoren tot de beste renners van Ethiopië, een land met een flinke wielercultuur die werd overgenomen van Italiaanse kolonisten. De drie komen uit Mekele, de wielerhoofdstad van het land. Ze zijn er populaire profwielrenners en kunnen goed leven van de koers.

Maar in Europa zijn ze niets.

„Ze rijden hier zo hard, nemen bochten zonder te remmen”, vertelde Bekele een paar dagen voor Gullegem. Het is niet dat ze geen talent hebben. Maar in Ethiopië gaan wielerwedstrijden alleen maar rechtdoor over een asfaltweg. Van de ene rotonde naar de andere, en dan weer terug. Of bergop. Bochtige kermiskoersen over kasseien, of waaierwedstrijden in de wind, zijn ze niet gewend. „Die bochten, daar zijn wij echt bang voor”, zegt Bekele nog een keer. Voordat hij naar Europa kwam, had hij nog nooit in de regen gereden. In zijn eerste wedstrijd moest hij bijna door modderpoelen waden.

Estifanos Gebresilassie reed vorig jaar ook in Gullegem. Het waaide hard, en hij wist niet wat er gebeurde toen het peloton in volle sprint van start ging. Voor Gebresilassie was de koers al na 75 meter voorbij.

Dit jaar gaat het beter, ziet ook Gudo Kramer. Als er al een paar rondjes door het dorp zijn verreden, schiet er plotseling een kleine schicht voor het peloton uit. Gebresilassie waagt een demarrage, maar Kramer schudt lachend zijn hoofd. „Wij hebben de afgelopen tijd tegen Estif gezegd dat hij aanvallend moet koersen. Maar nu zit er een ploeggenoot in de kopgroep.” Het tempo van het peloton opvoeren is dan niet zo handig.

Gullegem staat bekend als het wereldkampioenschap van de kermiskoersen. Er zijn meer toeschouwers, meer walmende barbecues met braadworsten en meer biertenten. Meer profrenners ook. De grote Tom Boonen, Philippe Gilbert en de ervaren Nico Eeckhout bijvoorbeeld. De sponsor van het team van Boonen, medicijnfabrikant Omega Pharma, heeft honderden bier drinkende Vlaamse apothekers uitgenodigd en het team de opdracht gegeven om te winnen. En dat gebeurt ook.

In Vlaamse kermiskoersen moeten de Ethiopiërs de mores van het internationale peloton leren, vertelt Kramer. Dat is een zware taak. De lichte wielrenners komen veel beter tot hun recht in de bergen, volgens Kramer is het wattage dat ze gedurende lange tijd per kilo lichaamsgewicht kunnen trappen zelfs „fenomenaal” – wat iets zegt over hun klimcapaciteiten. In Gullegem, tegen een West-Vlaamse tempobeul als Nico Eeckhout, heeft Estifanos Gebresilassie echter geen kans.

„Maar ook in bergritten van etappekoersen zijn vaardigheden in het peloton nodig, wordt er op het vlakke 65 kilometer per uur gereden”, vertelt Kramer.

Gebresilassie houdt zich toch knap staande in het peloton. Ook als het peloton steeds sneller rondjes door het dorpje rijdt, elke keer langs de verschoten witte parasols waaraan de droogvis hangt te wapperen in de wind. Met een verbeten gezicht handhaaft Gebresilassie zich tot de finish in de grote groep profrenners. Binyam Bekele moet net voor het einde lossen, Alem Abebe heeft pech en komt niet meer terug na een lekke band.

De drie Ethiopiërs leren elke koers bij. Ze worden gehard door het moordende tempo van zo’n vijftig kilometer per uur, door de harde wind, door de kou in het voorjaar.

In kleinere klimkoersen reden de drie tot nu toe de beste uitslagen. Gudo Kramer zegt dat het jaren zal duren voordat zijn Ethiopische stagiairs eventueel aansluiting zullen vinden met de wereldtop. Maar de drie renners leren veel van hun avontuur in Europa, zullen beter terugkeren in Ethiopië. In wielerhoofdstad Mekele zullen Gebresilassie, Bekele en Abebe een voorbeeld zijn voor jongere renners, zegt Kramer. Misschien zit daar dan een Tourwinnaar tussen. „En hier in Gullegem zullen mensen ook een ander beeld hebben van Ethiopië nadat ze Estifanos hebben zien demarreren.”