De Bovenbazen (34)

Op een ochtend, niet lang daarna, stond Tom Poes bij het hek voor zijn huisje en staarde naar de bladeren die reeds begonnen te vallen.

‘Heer Ollie mag dus niet met me omgaan,’ mompelde hij. ‘Nu, ik zal het hem niet lastig maken. Maar ik ben bang dat hij het alleen niet redt; hij is in gevaarlijk gezelschap.’

Op dat moment kraakte er een tak en toen hij opkeek zag hij de naderende gestalte van Joost.

‘Ga je naar de stad?’ vroeg hij.

‘Inderdaad, met uw welnemen,’ zei de trouwe knecht. ‘Vanmorgen viel mijn blik in de krant – en toen zag ik dat de ddt nieuwe aandelen uitschrijft.’

‘Ik heb geen verstand van die dingen,’ zei Tom Poes. ‘Jij wel?’

‘Ach,’ hernam de bediende. ‘Ik heb wat spaargeld, ziet u? En het is altijd verstandig om dat goed te beleggen, wanneer ik mij zo mag uitdrukken. Heer Olivier zal bovendien mijn deelneming op prijs stellen.’

‘Hm,’ zei Tom Poes. ‘Misschien wel. Mag ik die krant even inzien, Joost?’

De knecht reikte het dagblad over en zette na een korte groet zijn wandeling voort.

‘Hier is het bericht,’ mompelde Tom Poes, na enig geblader. ‘Frisse wind in de Insectenbestrijding. ddt gooit het roer om. “Wat de natuur kan, kunnen wij beter!” aldus obb, Bedrijvigheid op de beurs.’

Hij liet de krant zakken en schudde het hoofd.

Het lijkt me niks, dacht hij. Dat wordt narigheid, en het komt allemaal van die foute weddenschap.

    • Marten Toonder