Dans in Groningen? Laat Groningers dat bepalen

De Raad voor Cultuur houdt veel te weinig rekening met de geografische spreiding van kunst. Laat het subsidiëren over aan de regio’s, zegt Ton Schroor.

Op de Opiniepagina’s van NRC Handelsblad gooide toenmalig PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert in de Tweede Kamer in 2001 een steen in de vijver. Het cultuurbestel moest om. De rituele dans rondom de advisering en toekenning van de cultuursubsidies ontaardde steevast in een „ordinaire strijd om centen”. Het was een koningsdrama, opgebouwd uit opzichtige opstanden, obligate lobby’s en theatrale gevechten, en steevast eindigend in een anticlimax. Het cultuurdebat was verworden tot een wonderlijk mengsel van ongelijksoortige vraagstukken – groot versus klein, landelijk versus regionaal en gevestigd versus beginnend. Het ging voorbij aan de essentie: de betekenis van cultuur.

Melkert stelde voor om de systematiek van de cultuurnota af te schaffen en de verantwoordelijkheden te decentraliseren. Het Rijk zou zich moeten beperken tot de grote lijnen van het beleid en het in stand houden van een beperkt aantal landelijke gezelschappen, voorzieningen en instellingen. De rest was aan de lagere overheden.

Melkerts pleidooi is actueler dan ooit. De bezuinigingen van het kabinet zijn ‘doorgerekend’ door de Raad voor Cultuur. Het advies Slagen in Cultuur toont wederom het falen van het stelsel. Het gaat voorbij aan de positie van cultuur in onze maatschappij en aan de geografische spreiding die de Tweede Kamer zo graag wil zien, maar die de Raad niet meeneemt in zijn finale afweging.

Een pijnlijk voorbeeld is de wijze waarop het advies omspringt met dans in het Noorden. Bezoeker, beoefenaar en belastingbetaler worden buitenspel gezet. Club Guy & Roni, een jong en vooruitstrevend dansgezelschap dat vanuit een Groningse basis Nederland en de rest van de wereld bestormt, kreeg wel de erkenning, maar niet de bloemen. Omdat ook Noord Nederlandse Dans een ongunstig advies kreeg, blijven ruim 1,7 miljoen mensen straks verstoken van dans als kunstvorm.

Dergelijke afwegingen moet je maken in de regio zelf. Dit kan ook, als de financiën en verantwoordelijkheid decentraal worden georganiseerd. Nu zijn we overgeleverd aan de keuzes die 236 kilometer verderop, in Den Haag, worden gemaakt.

Hoe gaat het nu? Instellingen schrijven dikwijls vier versies van hun beleidsplannen. Alle afzonderlijke overheden en fondsen krijgen een eigen aanvraag, op ver uiteenlopende momenten in de cyclus. Voor de cultuurinstellingen levert het papier- en lobbywerk aan het einde van de rit te vaak geen of een halfslachtig resultaat op.

Tijdens het Prinsjesdagdebat van Binnenlands Bestuur in Amsterdam heb ik het ‘kernpuntenmodel’ verdedigd. Dit is een oproep om een groot deel van de verantwoordelijkheid en het geld voor de culturele basisinfrastructuur en fondsen over te hevelen naar de negen grote culturele kernpunten, de G9. De G9-kernpunten voor cultuur zijn de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Groningen, Arnhem, Maastricht en Enschede.

Deze steden investeren fors in cultuur. Ze beschikken over eigen podia en accommodaties en huisvesten het kunstvakonderwijs. Ze hebben de hele culturele keten in huis, van een brede basis tot een excellente top. Ze hebben als subsidieverstrekkers een goed inzicht in het functioneren van de culturele infrastructuur en de afzonderlijke instellingen. Ze kennen de behoefte van de inwoners in het verzorgingsgebied en zien de mogelijke dwarsverbanden tussen instellingen, particuliere fondsen en bedrijven. De oplossing voor de problemen van het bestaande, landelijke cultuurstelsel ligt bij de grote steden.

Critici wijzen op de gevaren van dit ‘Britse’ model, zoals ook Melkert in 2001 tegenstand ontmoette. Door het cultuurbeleid decentraal te organiseren, loop je het risico de landelijke en internationale top over het hoofd te zien. Bovendien zou er met een decentrale aanpak te veel worden geluisterd naar de smaak van het publiek en zou er te weinig ruimte overblijven voor experiment en authenticiteit, met vervlakking en middelmaat tot gevolg.

Ik ben ervan overtuigd dat de verantwoordelijkheid voor een breed en toegankelijk, maar ook concurrerend en onderscheidend aanbod in goede handen is bij de G9. De grote steden hebben juist eigenheid en vernieuwing nodig om lokaal, regionaal, nationaal en internationaal interessant en aantrekkelijk te blijven. Zie in Groningen fotomanifestatie Noorderlicht, podiumkunstfestival Noorderzon en Eurosonic/Noorderslag (geen introductie nodig). Bovendien kan het Rijk afspraken maken over het topaanbod, de kwaliteit en het bereik van de kunsten en kun je denken aan een onafhankelijke kunstraad in al die negen steden.

Melkert wilde de verantwoordelijkheden voor het kunstbeleid overdragen aan provincies en gemeenten. De keuze voor negen stedelijke kernpunten biedt nog meer perspectief dan dat. Je kunt toe met minder rijks- en provincieambtenaren en landelijke adviseurs. Ook hebben de culturele instellingen minder kosten.

Een koningsdrama hoort op het toneel, niet in de politieke arena.

Het kernpuntenmodel is dé manier om – vanuit het faillissement van het bestaande bestel – gezamenlijk te bouwen aan een minder bureaucratische toekomst, aan een model waarin de kunsten en cultuur leidend zijn en niet het proces. Hierin sta ik niet alleen. Ook mijn collega-wethouders willen ermee aan de slag.

Het is de hoogste tijd dat de cultuur in Nederland wordt bevrijd van deze molensteen om zijn nek.

Ton Schroor is wethouder (cultuur, D66) in Groningen.