Amsterdam was zijn atelier

Schilder Isaac Israels was begeesterd door Amsterdam. Door de beweeglijkheid en de kleuren, maar bovenal door de vrouwen in de stad. Een expositie in het Stadsarchief laat zien welke plekken Israels schilderde.

Dienstmeisjes lopen gearmd over straat; ze dragen een witte blouse en een frivole sjaal om de hals. „Scharreltjes” noemde de schilder Isaac Israels hen. Hij had een scherp oog voor vrouwen in Amsterdam. Zij vormden zijn schilderkunstig onderwerp én zijn prooi.

Het Amsterdam van de late negentiende eeuw was een paradijs voor een hongerig schilder als Israels. Hongerig naar de „blonde-bonte meiden” was de jonge schilder. Hij joeg ze na om als model te fungeren en voor sensueel genot.

Op de grachten, pleinen en bruggen wemelde het van beweging: karrenvoerders sleepten zwaar beladen karren over de straten. Chique dames winkelden in de Kalverstraat en Nieuwendijk. Meisjes repten zich over de keien. Behalve dienstboden waren dat de meisjes voor een dag, de dagmeisjes. Voorts de waspitten die in de kaarsenfabriek werkten, de koffiepiksters die de koffiebonen sorteerden, allemaal weelderige straatmadelieven voor Israels. Hij frequenteerde café Mast aan het Rembrandtplein vanwege de „gerokte kelners”. ’s Nachts zette hij zijn jacht op amourettes voort in de danshuizen aan de Nes en Zeedijk. Amsterdam was zijn atelier, de straat zijn beminde plek om te schilderen.

Het Amsterdamse Stadsarchief eert het Amsterdam van Israels met de tentoonstelling Isaac Israels in Amsterdam die even wervelend en beweeglijk is als de werken van Israels. Liefst 360 schetsboeken en 240 niet eerder geraadpleegde brieven liggen ten grondslag aan de expositie. Het Stadsarchief reconstrueerde welke straten en pleinen van Amsterdam Israels schilderde en tekende, en hing de schetsen en schilderijen topografisch geordend bij elkaar. Leliegracht bij Leliegracht, Zeedijk bij Zeedijk. Tegelijk met de expositie verschijnt het gelijknamige boek, waarin het Amsterdam van Israels een boeiende, gedetailleerde weergave krijgt. Zowel boek als expositie valt buiten de geijkte kunsthistorische kaders.

Dat Isaac Israels (1865-1934) tot een van de belangrijkste impressionisten van Nederland behoort, komt zijdelings aan de orde. Zijn rivaliteit met collega-schilder Breitner wordt aangestipt. Dat zijn vader de befaamde Haagse landschapsschilder Jozef Israels was, prominent lid van de Haagse School, is een terzijde. De kracht van tentoonstelling en boek schuilt in de combinatie van kunsthistorie en topografische reconstructie.

Israels was gefascineerd door de dynamiek van Amsterdam, een stad die in zijn tijd ongekend levendig was. Vanaf zijn atelier aan de Rozengracht, niet ver van de Prinsengracht doolde en zwierf Israels door de stad, vaak in gezelschap van zijn vriend Frans Erens, een van de vooraanstaande schrijvers van de Tachtigers. Israels maakte veel schetsen. Veel van die schetsen herschiep hij in zijn atelier tot aquarellen of olieverfschilderijen. Toch werkte hij het liefst op straat, in het hart van het „mensengewemel”, zoals Erens schreef.

Meteen aan het begin van de expositie ligt een belangwekkend document. In een brief aan Publieke Werken uit het najaar van 1894 verzoekt Israels om een vergunning om „een schildersezel op den openbaren weg te plaatsen”. In die tijd was het verboden in de stad plein air te schilderen. Dat leidde vaak tot opstootjes. Een agent kwam eraan te pas om de openbare orde te bewaken. Israels pikte ook modellen van de straat en gaf hun geld als ze voor hem poseerden. Dat leverde wel eens taferelen op van kijvende vrouwen die tekeer gingen tegen die modellen.

De kunstgeschiedenis heeft Israels schetsen en schilderijen lang beschouwd als vlotte en beweeglijk neergezette straattaferelen, zonder verdere topografische nauwkeurigheid. Maar volgens Bert Gerlagh, conservator van het Stadsarchief, had Israels beslist een groot bouwkundig inzicht. Hij heeft diens wandelingen nagetrokken, heeft gekeken naar gevels, brugleuningen, bomen of juist niet bomen, de gebogen lijn van bruggen en heeft vrijwel elke plek kunnen traceren. „De bijzondere gebouwen van de stad genoten niet zijn eerste belangstelling. De toren van de Westerkerk sneed hij onverbiddelijk af. Van de Noorderkerk toonde hij slechts de onderzijde. Met behulp van oude kaarten, foto’s en historische documenten heb ik elke plek teruggevonden. Hoewel de stad voor zijn werk als achtergrond, als decor fungeerde, was hij ook heel precies. Als een bepaald huis twee ramen had in plaats van drie, dan gaf hij dat weer.”

De expositie en het boek zijn ingericht als wandelingen. We volgen Israels tocht van de Leliegracht, Prinsengracht en dan via de Haarlemmersluis en de Prins Hendrikkade tot we uiteindelijk via de kop van de Zeedijk het nautische kwartier inlopen. Hier bevonden zich de danshuizen, bordelen, tingeltangels, de café-chantants, heel het volkse rauwe Amsterdam dat zich uitstrekte tot diep in de Nes. De schilder vertoefde er graag. Namen als Walhalla, Tivoli, Grand Concert en Alhambra lokten hem binnen. Hier vond hij wat hij zocht, de „heilige laagheid” van de stad, de verrukkelijke schaduwzijde waar vrouwen zwierden en mannen, veelal zeelui, passagierden.

Onweerstaanbaar mooi is het schilderij Danshuis op de Zeedijk (ca. 1894) waarop twee dansende vrouwen staan, de huid van hun wangen gloedvol en warm. De nachtelijke hitte van de dansgelegenheid straalt er vanaf. Maar hoe Gerlagh ook heeft gezocht, geen van de ongeveer tachtig gelegenheden uit die tijd kon hij achterhalen. In de archieven komt hij onschuldige namen tegen als slijterij, koffiehuis of tapperij. Israels schilderde overdag de beweeglijkheid van de stad bovengronds, ’s nachts gaf hij zich over aan het wilde vertier ondergronds.

Isaac Israels in Amsterdam. Stadsarchief, Vijzelstraat 32, Amsterdam, t/m 26/8. Elke zondag organiseert het Stadsarchief een Israels Stadswandeling ( stadsarchief.nl). In Den Haag en Scheveningen wijden vijf musea aandacht aan Isaac Israels, onder meer Panorama Mesdag, het Haags Historisch Museum en het Haags Gemeentearchief.