Waarheen de mensen vluchten

Als je weet hoe mensen zich verplaatsen na een ramp, kan de hulpverlening verbeteren, zegt Petter Holme, die belpatronen in kaart bracht na de aardbeving in Haïti.

Was de aardbeving op Haïti chaotisch? Natuurlijk. Er vielen op en na die twaalfde januari in 2010 tienduizenden doden – of 316.000 zoals de regering volhoudt, niemand die het zeker weet. Honderdduizenden mensen raakten hun huis kwijt.

Maar vandaag is in Proceedings of the National Academy of Sciences te lezen dat het gedrag van de inwoners van de Haïtiaanse hoofdstad Port au Prince in zekere zin helemaal niet chaotisch was. Port au Prince lag vlak bij het epicentrum van de aardbeving en na een paar dagen waren veel mensen op drift. Maar na een kleine drie weken waren velen alweer in hun vaste (reis)patronen vervallen. Vanaf dat moment was goed te voorspellen waar de bewoners waren – achteraf gezien dan.

Wat de rampenbestrijders in de wereld voortaan nodig hebben bij catastrofes, zijn gegevens van miljoenen mobiele telefoons, zegt de Zweedse onderzoeker Petter Holme in zijn publicatie: „Planning en hulp na een ramp kunnen daarmee significant verbeteren.”

En, vervolgt hij: „De resultaten dwingen ons om rampen niet langer te zien als fundamenteel chaotische gebeurtenissen.” Holme, die het onderzoek leidde, is gespecialiseerd in grootschalige patroonanalyse.

Digicel, de grootste provider van Haïti, leverde aan Holme gebruiksgegevens van 2,9 miljoen anonieme abonnees. De onderzoekers gebruikten één gegeven: waar de beller was toen hij zijn eerste telefoontje van die dag pleegde. En dat ruim een jaar lang, vanaf 42 dagen vóór de aardbeving. Er waren 1,9 miljoen mensen (onder wie 800.000 inwoners van Port au Prince) bij met bruikbare gegevens: die hadden de hele onderzoeksperiode af en toe met hun mobiel gebeld. Zij waren dus niet overleden en hun telefoon werkte.

De verrassende uitkomst van de analyse was dat het reispatroon van de Haïtianen in de maanden na de ramp niet wezenlijk verschilde dan daarvoor. Kijk naar de grafiek hierboven: daarin staat hoe ver mensen zich van Port au Prince bevonden op 31 januari 2010, dat is de zondag 19 dagen na de aardbeving (de blauwe lijn). Er was niet veel verschil met zondag 20 december (de rode lijn), toen er nog niets aan de hand was.

„Dit is absoluut een nuttige manier om onderzoek te doen”, reageert Cars Hommes, hoogleraar economische dynamica aan de Universiteit van Amsterdam. „Het gebruik van internet, mobiele telefonie en sociale media levert steeds meer grote databestanden voor onderzoek. We kunnen daar heel veel informatie uit halen over het gedrag van complexe sociaal-economische systemen.”

In 2010 presenteerde een Amerikaans team in Science voor het eerst zo’n grootschalige analyse van gebruik van mobiele telefoons. Onderzoeker Albert-László Barabási zei toen in het tijdschrift Wired: „Vandaag zien we het begin van de data burst.” Zijn analyse was toen nog gebaseerd op 50.000 bellers – veel minder dan Holme.

Het Zweeds-Koreaanse team bepaalde niet alleen de afstand tot Port au Prince van de telefoongebruikers. Dat Haïtianen zich in de eerste drie maanden na de ramp haast hetzelfde gedroegen als daarna, gold voor allerlei variabelen, zoals de regelmatigheid van het dagelijkse reispatroon en de vorm ervan (heen en terug, overal en nergens, kort of lang).

Maar het belangrijkste: waar waren ze heengegaan? Dat zocht Holme uit voor inwoners van Port au Prince op die zondag 31 januari 2010, 19 dagen na de aardbeving. Dat ze niet ver weg waren, is te zien in de grafiek – de meesten bevonden zich niet verder weg dan 75 kilometer. En ook wáár ze waren, bleek te voorspellen.

De mensen die uit de hoofdstad weggetrokken waren, bevonden zich vaak daar waar ze een maand eerder ook heen waren gereisd: tijdens de kerstvakantie. Dat gold voor 69 procent van de tijdelijk verhuisden: ze waren in dezelfde gemeente als met Nieuwjaar. Blijkbaar waren ze na de ramp dus naar familie of vrienden buiten de stad gegaan.

Dat verband zou algemeen bruikbaar kunnen zijn om migratie na rampen te voorspellen, denkt Holme: „Eigenlijk moeten we dit soort data systematisch verzamelen voor onderzoek, om meer inzicht te krijgen in de patronen van mobiliteit.”