Trouw aan de vogel

Rob Bijlsma woont in de bossen. Elke dag klimt hij in bomen, ringt hij roofvogels en vorst hij de natuur. Hij schreef er het boek Mijn roofvogels over. „Bij dieren is het ‘what you see is what you get’.”

Een zijpad van een zandweg door het bos bij het Drentse Wapse. Daar woont roofvogelspecialist Rob Bijlsma (57). Alleen, in een idyllische woning met een rieten dak. Ver van de bewoonde wereld. Onlangs verscheen zijn boek Mijn roofvogels. Het is aan een derde druk toe.

De woonkamer is gevuld met hoge stellingen vol boeken en ordners over vogels en vogelonderzoek. Hij kijkt uit op een heideveld met vennetje tegen een achtergrond van dennen. „Laatst stak hier een wild zwijn de hei over. Reeën komen hier tot drie, vier meter van mijn raam. En daar, in die dooie Amerikaanse eik, zag ik een visarend.”

Op tafel ligt, tussen stapeltjes paperassen en een boek van Voltaire, een dode jonge mannetjesadder. „Gisteren gevonden onder een buizerdnest. Een prooi die waarschijnlijk uit het nest is gevallen.”

Bijlsma, halflang grijs haar, zwarte broek, zwarte trui, verrekijker om de nek, is elke dag buiten in het bos. Hij klimt in bomen, ringt jonge roofvogels, telt eieren, bestudeert de conditie van de jongen. Hij verzamelt gegevens, leest, schrijft en publiceert. Op dit moment bestudeert hij de klimaatinvloeden op wespendieven. „Na hun terugkeer uit Afrika blijken ze door het warmere voorjaar eerder te zijn gaan broeden. Maar niet vroeg genoeg, want de wespen, hun voedsel, schoven hun cyclus nóg verder naar voren. Omdat er in augustus veel minder wespen zijn, moeten volwassen wespendieven zich enorm inspannen om voedsel te vinden voor hun jongen. Mijn hypothese is dat dit de oorzaak is dat ze korter leven.”

Bijlsma is een gepassioneerd hobbyist, gestudeerd heeft hij niet. Toch geldt hij als groot kenner van de roofvogels in Nederland. Gegevens verwerkt hij in grafieken „om greep op de materie te krijgen”. Een leven lang deed hij onderzoek, zonder vaste baan. Af en toe werkte hij; in een sigarenfabriek, een broodbakkerij en in de haven, om geld te verdienen.

Vanwaar de fascinatie voor roofvogels?

„Het hadden ook kakkerlakken kunnen zijn”, relativeert hij. Hij is geïnteresseerd in alle diersoorten. Maar roofvogels zijn heel interessant. Omdat die aan het begin van de voedselketen staan, zegt hij. „Je bestrijkt een heel veld.”

De ‘diersoort mens’ vindt hij een stuk minder interessant. Het is niet zo dat hij een hekel heeft aan mensen, hij heeft gewoon meer met dieren. Mensen zijn vaak „onoprecht”, zegt hij. „Want wat is waarheid: dat wat ze je vertellen? Dat hoeft niet. „Bij dieren is het ‘what you see is what you get’. Ze hebben geen dubbele bodem.”

Als jongen trok hij met zijn vader de Veluwse bossen in. Rond 1970 begon hij roofvogels te tellen, in Ede. Door het gebruik van landbouwgif en industriële verontreiniging was het aantal broedparen in die tijd dramatisch afgenomen, zegt Bijlsma. De afgelopen tien à twintig jaar herstelde de populatie zich. „Maar wat veel mensen niet weten is dat de groei afvlakt naarmate de vogeldichtheid toeneemt. Roofvogels hebben een territorium. Jonge exemplaren moeten wachten tot er een gebied vrijkomt voor ze kunnen gaan nestelen.”

Hij pakt van tafel een prijslijst van een Belgische roofvogelhandelaar die een bezorgde roofvogelvriend hem toestuurde. „Een witte vrouwtjesbuizerd: 1.750 euro”, leest hij voor. „Hybride slechtvalk: 1.750 euro. Paartje Stellers zeearend: 37.000 euro.”

De handel in illegale, in het wild gevangen roofvogels genereert een grote criminele geldstroom, weet hij. „Als die lui worden gesnapt krijgen ze een boete van 6.000 euro. Daar lachen ze om.” De kweek en roof worden mede in stand gehouden door de „perverse” roofvogelshows waarin dieren geëxploiteerd worden. Roofvogels die over mensenhoofden scheren of met trouwringen komen aanvliegen noemt hij „betreurenswaardige aftreksels van hun wilde soortgenoten”.

Bijlsma maakt zich om meer erg druk. Om de vervolging van roofvogels door jagers, of door weidevogelliefhebbers die nesten kapot schieten, roofvogelkuikens vergiftigen en zelfs nestbomen kappen. Maar vooral is hij furieus over de „uitverkoop” van de natuur aan de recreatie. Het is de schuld van natuurbeschermingsorganisaties, vindt hij. „Die zijn ondeskundig. Ze hebben geen langetermijnvisie en zijn vooral bezig hun eigen toko in stand te houden. Ze willen alle natuurgebieden openstellen voor het publiek. Terwijl een club als Natuurmonumenten is opgericht om de natuur te beschermen.”

Op de voorzichtige vraag of mensen dan niet van de natuur moeten kunnen genieten komt een fel: „Hoezo? Er zijn potverdomme 5.000 diersoorten in Nederland. Vele daarvan worden bedreigd door de mens. Wist je dat de hartslag van een vogel al toeneemt als er alleen al mensen in de buurt zijn?”

Zijn oplossing: delen van natuurgebieden „rücksichtslos afsluiten” om kwetsbare planten en dieren te beschermen. Hij vindt het een „godgeklaagd schandaal” dat er in de Waddenzee nog handkokkelaars en garnalenvissers actief zijn. Het stoort hem dat de mens de maat der dingen is „terwijl er op aarde minder mensen dan dieren zijn”.

Ondanks al die jaren onderzoek weet hij nog lang niet alles van roofvogels. „Waarom bijvoorbeeld zijn vrouwtjesroofvogels groter dan mannetjes? Wat spoken de wespendieven exact uit in Afrika? Waarom hoppen sommige naar meerdere plekken die soms duizenden kilometers uit elkaar liggen. Komt dit door de fragmentatie van het regenwoud, wat ik denk?”

Bijlsma werkt aan zijn volgende boek. „Over de ecologie van vogelsoorten op zandgronden, zoals de draaihals, de duinpieper en de boomleeuwerik.”

Van zijn doodstille plek in het bos wil hij nooit meer weg. „Ik kan me niet voorstellen dat ik weer in een dorp of stad woon met overal mensen om me heen.” Hoe mensen in de stad leven en wonen vindt hij abnormaal. „De interactie tussen mensen, het lawaai. Daar kan ik niet tegen.”

Een „normaal” leven, met studie, gezin en kinderen heeft hij nooit gewild. Een partner ziet hij als een last. „Je moet continue concessies doen. Geen partner hebben is een zegen.”

Hij zal zijn leven lang de natuur blijven vorsen, zegt hij. „Als ik oud ben en niet meer in bomen kan klimmen, ga ik spinnen en solitaire wespen bestuderen.”

Hij pakt zijn verrekijker en tuurt in de verte. „Daar staat een vrouwtjesree. Dan zal de bok niet ver uit de buurt zijn.”

Karin de Mik