Patiënten worden te duur. Daarom moeten ze uit bed

De uitgaven aan psychiatrische patiënten groeien al jaren sneller dan de economie. Daarom moeten patiënten weer vaker naar buiten. Gaan ze straks ook weer zwerven over straat?

Psychiater Rutger-Jan van der Gaag sprak laatst twee jonge artsen die worden opgeleid tot psychiater. De één gaf meer geld uit dan de ander. Hoe dat kwam? „De één liet elke twee weken het bloed prikken van de patiënt om te meten of het medicijn wel in zijn bloed aanwezig was. Hij had geen idee hoe duur het is om zo’n labuitslag op te vragen. De ander liet, als de bloedtest goed was, de patiënt pas na vier weken terugkomen.”

Hij wil maar zeggen: kostenbewust zijn psychiaters lang niet allemaal. En dat moeten ze wel worden. Want de uitgaven in de zorg voor psychiatrische patiënten en mensen met psychische problemen groeien al jaren met 5 tot 8 procent per jaar. Harder dan de economie. Van 3,1 miljard euro in 2002 tot 5,5 miljard euro vorig jaar. Gisteren presenteerden minister Schippers en alle psychiatrische intellingen, psychiaters, verzekeraars en patiëntenverenigingen een akkoord waarin ze afspreken die kosten nog maar met 2,5 procent per jaar te laten groeien.

De groei heeft meer oorzaken: mensen komen eerder uit voor psychische problemen en willen er ook eerder voor behandeld worden dan vroeger. Nederlanders lijden gemiddeld ook gewoon meer aan stress, zegt Marleen Barth, waardoor steeds meer volwassenen en kinderen psychische klachten hebben. Barth is voorzitter van alle 110 psychiatrische instellingen. „Ik zeg weleens: als iedereen na het werk zou hardlopen en de fles zou laten staan, zouden we stukken minder mensen met psychische problemen hebben.” Er zijn ook steeds betere diagnoses, behandelingen en medicijnen die artsen en psychotherapeuten graag aanbieden.

Het opvallendst in het akkoord van gisteren is de afspraak om binnen acht jaar eenderde van de 30.000 bedden in psychiatrische inrichtingen te schrappen. Het geld dat zo bespaard wordt op de ‘hotelfunctie’ – lakens, bedden, eten, schoonmaak, personeel ’s nachts – zal worden geïnvesteerd in hulpverleners die mensen thuis opzoeken. Die ook praten met de familie. En achter de telefoon zitten om vragen te beantwoorden.

Dat gaat over de 160.000 mensen die hun leven lang psychiatrisch patiënt zijn. Zij lijden aan ernstige depressie, schizofrenie of psychoses. Sommigen leven jarenlang in een instelling, anderen komen en gaan. Een deel kan door verbeterde medicatie zelfstandiger leven dan vroeger. Bedoeling is dat zij goed voor zichzelf gaan zorgen, thuis, en hulp inroepen wanneer nodig. Die hulp kan de patiënt 24 uur per dag inschakelen, waardoor hij niet in een instelling hoeft te wonen.

Al in de jaren twintig van de vorige eeuw pleitten vooruitstrevende psychiaters tegen ‘hospitalisatie’ van patiënten. En in de jaren zeventig nog massaler. Toen sloten psychiatrische inrichtingen in de bossen en duinen – ver van de bewoonde wereld – afdelingen. Of ze verhuisden naar de stad. Patiënten moesten niet meer worden weggestopt, was het idee, maar onder de mensen zijn.

Een deel van de patiënten leefde verder in kleine inrichtingen in de stad, anderen werden ontslagen. De gevolgen waren in de jaren tachtig en negentig zichtbaar: velen konden zich niet redden, ze sliepen onder bruggen, veroorzaakten overlast op straat en in woonwijken. Begin deze eeuw zijn die zware psychiatrisch patiënten teruggeloodst naar instellingen. Om de overlast te verminderen. Dát is volgens Barth ook een verklaring voor de groei.

En nu wil de overheid weer minder instellingsbedden. Niet alleen om te bezuinigen, zegt Barth. „We hebben in Nederland de neiging om iemand ‘waar wat mee is’ in bed te stoppen. Dus ook psychiatrische patiënten. Terwijl onderzoeken uitwijzen dat de patiënt beter af is thuis, op een vertrouwde plek bij familie en vrienden.” De laatste zes jaar is het aantal behandelteams dat vanuit de inrichting de straat op gaat om patiënten thuis te begeleiden, met de huisarts of de familie, al gegroeid van 14 tot 200. Barth: „Dat moeten er veel meer worden.”

Er was de afgelopen tien jaar ook een bureaucratische reden voor instellingen om patiënten niet snel naar huis te sturen. Bedden leveren geld op. Of beter: mínder bedden betekende minder geld. Het bed – en de ‘hotelfunctie’ – wordt voor elke patiënt die langer dan een jaar blijft, betaald uit de AWBZ. Goed voor 17 procent van de kosten van psychiatrische instellingen.

Psychiater Van der Gaag: „Als je een bed schrapt, verlies je die AWBZ-inkomsten. En voor die patiënt, die dan thuis woont of kort bij je verblijft, krijg je géén extra geld omdat de andere geldpot [verzekeringspremies] niet mag groeien.”

Dat wordt straks anders georganiseerd. Geld dat bespaard wordt op het hotel, verdwijnt niet meer, maar zal besteed worden aan personeel dat mensen thuis opzoekt. Zo moet ook voorkomen worden, zeggen Barth en Van der Gaag, dat patiënten die echt in de war raken, weer over straat gaan zwerven.

    • Frederiek Weeda