Liefdesverdriet? Ga in therapie

Jongeren van nu zijn weinig tegenslagen gewend. Als het even niet meezit, gaan ze snel naar de psycholoog. Is dat erg? „Sommige van onze tieners hebben te weinig verloren met mens-erger-je-niet.”

Huilend, met een deken over haar hoofd. Zo lag Leonie (18) dagen achter elkaar op bed toen haar vriend het anderhalf jaar geleden uitmaakte. „Ik viel in een zwart gat, had nergens meer zin in.” Haar somberheid werd groter toen ze ook nog eens zakte voor haar eindexamen. Leonie had geen zin meer in het leven en besloot hulp te zoeken.

Ze kwam bij een psycholoog terecht. Een „hele wijze man”, die haar op een andere manier naar het leven leerde kijken. Natuurlijk, ook haar ouders en vriendinnen hadden dat al geprobeerd. „Maar een psycholoog staat meer van je af. Hij heeft een objectievere kijk op bepaalde dingen, daarom neem je meer van hem aan.” Inmiddels heeft Leonie een nieuwe vriend.

Leonie kent wel „vier, misschien vijf” mensen die een psycholoog bezoeken. „Op school is het een beetje in de mode”, zegt ze. „Als je ergens last van hebt, zeggen vriendinnen al gauw: oh, zou je dan niet eens met iemand gaan praten?” Wie die ‘iemand’ is, weet iedereen: de psycholoog.

Dat steeds meer jongeren in therapie gaan, blijkt ook uit cijfers van de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE). Van de 100.000 Nederlanders die in 2011 een eerstelijnspsycholoog bezochten, was 11 procent jonger dan twintig jaar. In 2008 was dit nog 9 procent. LVE-directeur Dick Nieuwpoort bevestigt dat er sprake is van een stijgende trend. Psychologen zien vooral meer tieners met angsten en depressies voorbijkomen, zegt hij.

Is het de complexer wordende samenleving waar jongeren last van hebben? Heeft de puber van nu meer leed te verduren?

„Nee”, zegt sociaal wetenschapper Frits Spangenberg. „Jongeren dénken dat ze meer leed te verduren hebben.” Spangenberg doet al jaren onderzoek naar de leefstijl van jongeren en schreef het boek De grenzeloze generatie over maatschappelijke ontwikkelingen onder jongeren. Hij herkent de trend waarbij hedendaagse pubers steeds eerder naar een psycholoog gaan. In zijn onderzoeken ziet hij hen vaak voorbijkomen. Jongeren van wie een verkering is uitgegaan. Jongeren die slecht liggen bij klasgenoten of collega’s. Jongeren die gewoon niet zo lekker in hun vel zitten. Allemaal steeds jonger en vaker van depressie naar burn-out en dan in therapie.

Hulp is er genoeg. Nederland heeft 30.000 psychologen – nergens in Europa zijn het er meer per hoofd van de bevolking. Ook zijn we wereldwijd koploper in het zoeken van hulp: jaarlijks gaat 7,7 procent van de Nederlanders naar een psycholoog, psychiater, gebedsgenezer of alternatieve therapeut zonder dat bij hen een psychische stoornis is vastgesteld. Alleen in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten ligt dit percentage hoger.

„Het feit dat er bij ons zoveel hulpverleners rondlopen, vergroot ook de vraag naar hulp”, zegt Spangenberg. „Dat klinkt een beetje wrang, maar zo is het wel. De zorg verschilt wat dat betreft niet zoveel van marketing: aanbod creëert vraag. Het is daarom niet verwonderlijk dat deze generatie jongeren vaker naar een psycholoog gaat.”

Wat deze generatie jongeren óók anders maakt, zegt Spangenberg, is hun opvoeding. Ouders zijn minder thuis en kampen vaak met schuldgevoelens omdat zij er niet meer voortdurend kunnen zijn voor hun kinderen. Daarom, zegt hij, zijn ouders hun kinderen op handen gaan dragen. „Een modern kind krijgt al heel vroeg mee dat hij geweldig is”, zegt Spangenberg. „Dat begint bij het moment dat ze thuiskomen met een tekening en hun ouders doen alsof het een Picasso is. Alles wat ze doen is ontzettend bijzonder.” Het maakt dat jongeren een steeds hoger zelfbeeld krijgen, wees eerder onderzoek van Spangenberg uit. In vergelijking met vijftien jaar geleden gaven veel meer jongeren aan zich ‘een bijzonder mens’ te voelen.

„Sommige van onze tieners hebben te weinig verloren met mens-erger-je-niet”, zegt hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen, onder meer werkzaam aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij kan zich vinden in de zienswijze van Spangenberg. Ouders zijn vergeten dat kinderen in de opvoeding moeten leren wennen aan de realiteit, zegt Derksen, en in plaats daarvan proberen zij hun kinderen krampachtig teleurstellingen te besparen. „Ze worden met de auto naar muziekles gebracht, bang dat het kind nat wordt op de fiets. Als jongens met elkaar knokken op het schoolplein, springt iedereen er meteen bovenop, alsof alle agressie taboe is. Maar zulke dingen horen juist bij je ontwikkeling. Een kind moet leren omgaan met het harde leven. Als je dat niet doet, dan word je een watje. En dat is het uitlokken van psychische stoornissen.” Want, zegt Derksen: „Als jij niet gewend bent om pijn en verdriet mee te maken, komt de klap van een verbroken verkering ook veel harder aan.”

Derksen ziet ook andere oorzaken. Jongeren moeten tegenwoordig veel meer keuzes maken, en krijgen er weinig hulp bij. Ze kunnen niet meer terugvallen op een ideologie of religie, zoals vroeger. Dat levert stress op. Op internet zoeken ze ondersteuning voor hun keuzes. „Daar zwerven allerlei diagnostische etiketten rond die jongeren bang maken”, zegt Derksen. „Je hoeft maar een term in te typen op Google, en je krijgt een overload aan informatie over allerlei stoornissen. Jongeren worden onzeker, gaan zich afvragen: heb ik misschien ook borderline?”

De gevolgen ziet Derksen in zijn eigen psychologenpraktijk. Iedere week komt wel een jongere langs die zegt dat hij autisme heeft, of een andere stoornis. Consulten zijn korter geworden. De therapeut is nu „een soort huispsycholoog”, die jongeren in een paar consulten helpt een andere koers in te zetten. „Je bent in feite een verlengstuk van de opvoeding geworden.”

Is dat kwalijk? Derksen vindt van niet. „Het leven is gecompliceerder geworden en de jeugd minder weerbaar. Dan is het maar goed dat er zoveel psychologen zijn, die jongeren geruststelling kunnen geven.” Wel vindt hij dat zijn beroepsgroep „waakzaam” moet blijven op het toenemende aantal hulpvragen. Derksen: „Wij moeten als psychologen de rug rechten en ons bij iedere klacht afvragen: is dit wel een stoornis die te diagnosticeren valt? Zijn wij hiervoor opgeleid?”

Volgens Spangenberg zit er ook een keerzijde aan de groeiende behoefte aan hulp onder jeugdigen. Het zorgt ervoor dat jongeren steeds meer medicatie krijgen voorgeschreven, en dat heeft nadelige bijeffecten voor de gezondheid. Hulpverleners zouden hier „kritischer” mee moeten omgaan, vindt Spangenberg. „Stemmingswisselingen horen nou eenmaal bij de groei. Een generatie geleden werd tegen ongelukkige pubers gezegd: ga maar een stuk fietsen. Nu slikken veel van hen antidepressiva, met alle neveneffecten van dien. Je kunt je afvragen wie beter af is.”

    • Andreas Kouwenhoven