Kompels zijn Obama's zwakke schakel

Obama is morgen niet bij de mondiale milieutop in Rio. Groene politiek is electoraal riskant, kolen lonen. In Blair, West-Virginia, wil men vooral werk. Al is het in de mijnen.

Langs de snelwegen van industriestaat West-Virginia hangen overal borden en spandoeken. ‘Dit is Obama’s banenvrije zone’, staat op een billboard. En: ‘Trots om in een kolenmijn te werken’.

„We knokken hier tegen een president die de kolenindustrie de nek om wil draaien”, zegt het Republikeinse Congreslid David McKinley, een van de machtigste politici in de staat. „De oorlog om de kolen is begonnen.”

In West-Virginia wordt Obama geconfronteerd met een lastig dilemma. Hij wil de economie ‘vergroenen’ maar beseft dat hij met dat thema ook gemakkelijk kiezers, zoals hier in het gehucht Blair, van zich kan vervreemden. Obama stelde de aanleg van een omstreden oliepijpleiding, Keystone XL, uit. En hij investeerde vele miljoenen in het zonnepanelenbedrijf Solyndra. Maar met groene beloftes win je geen banen, en daar vraagt de bevolking om. Obama mijdt de milieutop Rio+20, waar vanaf morgen meer dan honderd regeringsleiders afspraken proberen te maken over duurzame ontwikkeling.

Pal naast Blair, verscholen in het groene Appalachengebergte, moet een gigantische nieuwe kolenmijn komen. De bergtoppen rondom het dorpje zijn al ontbost, de kolenindustrie staat klaar om een mijn van 900 hectare te bouwen.

Als de bouw doorgaat, betekent dat het einde van het dorpje, zegt Roger Cook, een gepensioneerde mijnarbeider die in een mijn verderop werkte. „Straks staat hier een schacht, storten ze daar de kool en stroomt er vervuild water door onze rivier. We moeten wegwezen.”

Vijf jaar geleden gaf toenmalig president George W. Bush toestemming voor de aanleg van een gigantische kolenmijn in het gebied. Het bedrijf Arch Coal ontboste de bergen, maar het ministerie van Milieu blokkeerde de bouw vorig jaar. Zo’n grote kolenmijn zou tot enorme milieuschade leiden: de bergen zouden al het leven verliezen, de talloze beekjes zouden voor decennia vervuild raken. Een rechter in West-Virginia herriep die beslissing onlangs, maar daarop greep Obama in: de bouw mag niet doorgaan.

De Republikeinse Afgevaardigde David McKinley is met de industrie een lobby begonnen vóór de nieuwe mijn. „Het was een oorlogsverklaring van Obama aan de gewone arbeider in West-Virginia, die de mijnen nodig heeft om te overleven”, zegt hij. „Maar vooral is het een oorlogsverklaring aan het recht op zelfbeschikking van deze staat.”

Alles draait om steenkool in West-Virginia. Er werken bijna 100.000 mensen in de mijnbouw, en de kleine staat produceert 15 procent van Amerika’s kolen. Het aantal mijnen, vaak niet meer ondergronds maar aangelegd op bergtoppen, groeit er ieder jaar. Vorig jaar werd er vijftien miljard dollar winst gemaakt.

McKinley lacht schamper als de dreiging van vervuiling ter sprake komt. Hij is ingenieur, een van de weinigen in Washington, dus hij weet het beter dan de milieufanaten in de regering-Obama, zegt hij. „Die vervuiling valt mee, dankzij schone nieuwe technieken. Afvalstoffen worden vaak hergebruikt, in beton of bowlingballen. Kolen zijn relatief weinig vervuilend. De milieulobby heeft Obama in de greep.”

Met succes wist de West Virginia Coal Association (WVCA), de koepel van de industrie, de inwoners te bespelen. Er worden demonstraties georganiseerd, en overal in West Virginia hangen anti-Obama-leuzen. McKinley heeft in Washington succes met zijn ‘Obama haat kolen’-boodschap. „Maar Obama vergeet dat wíj de grootste milieufanaten zijn”, zegt voorzitter Bill Raney van de industriekoepel WVCA. „Wij wonen in deze staat. Natuurlijk willen we het hier mooi houden.”

Juist in kolenstaten, zoals Virginia en Ohio, wordt het in november spannend tussen Obama en de Republikein Mitt Romney. De Republikeinen maken er nu een campagnethema van. Romney zei dat Obama „Amerika in een enorm nadelige positie brengt” door de kolenindustrie aan banden te leggen.

Kolen vormen het centrale onderdeel in het leven van de inwoners van de bergachtige staat. Er is een kolenfestival, er is een kolen-kunstbeurs, en kinderen dromen van een baan in een mijn. In het kolenmuseum van Madison, dichtbij Blair, hangen tekeningen van kinderen uit het dorp: ze hebben hun vaders getekend, die in mijnen onder de grond werken.

Dat die vaders vaak niet oud worden, is een voldongen feit voor de lokale bevolking, zegt de gids van het museum, een middelbare vrouw wier vader en zoon in de mijnen werken. Twee jaar geleden vielen bij een explosie dichtbij nog 29 doden. De levensverwachting in het zuiden van de staat, waar de mijnen zijn, behoort tot de laagste 1 procent in de Verenigde Staten. „Iedereen is boos”, zegt de vrouw. „We zijn boos op Obama, die van onze mijnen, ons leven moet afblijven. Maar ook op de kolenbedrijven, die ons dit leven aandoen. We hebben alleen onszelf.”

Hoe het gevecht tussen Obama en de kolenindustrie ook afloopt, Blair heeft geen toekomst meer, zeggen jonge mannen die terugkomen van hun werk in de mijnen. Als Obama wint, is er geen werk meer. En als de kolenbedrijven winnen, is er geen leefruimte meer. Ze laten de kerk zien, die al leegstaat. Veel huizen zijn ook al verlaten.

Roger Cook heeft zijn huis en een aanliggend graslandje te koop gezet voor 800 duizend dollar. Zijn vader bouwde het ooit met eigen handen. „Niemand wil de bouwval natuurlijk kopen”, zegt hij, „maar ik hoop dat ik word uitgekocht door de kolenbedrijven. Dat is mijn enige hoop: hier weggaan.”