Klasgenoot

Onlangs beschreef ik in deze rubriek een incident in de Kalverstraat waarvan ik getuige was geweest. Een jonge man werd voor een winkel aangehouden en geboeid door twee politiemensen.

Daarop ontving ik per mail een reactie van een man die hetzelfde had gezien. Jammer dat ik je niet heb opgemerkt, schreef hij, want wij kennen elkaar van heel lang geleden. Hij bleek een klasgenoot te zijn van mijn lagere school in Venlo. Ik kende hem als ‘Nico’, maar hij noemde zich inmiddels Nick.

Nico! Ja, die kon ik me nog goed herinneren. Een rustige, bescheiden jongen. Ik pakte een foto uit 1952 van de eerste klas erbij (47 kinderen!) en haalde hem er meteen uit: op de bovenste rij, twee jongens van mij vandaan. Nico woonde tegenwoordig met zijn vrouw in Roosendaal en was een lezer van deze krant, wat mijn gunstige herinnering aan hem uiteraard nog aanzienlijk versterkte. Ik werd nieuwsgierig. Na het verlaten van de lagere school, 54 jaar geleden, hadden we elkaar niet meer gezien. Hoe zou het hem zijn vergaan? Welke herinneringen had hij nog aan onze school?

We spraken een ontmoeting in Rotterdam af.

Ik zou hem nooit herkend hebben als ik hem onvoorbereid was tegengekomen, maar het jongetje van de foto zag ik wel degelijk terug in zijn trekken: nog altijd vriendelijk en zachtmoedig. We hebben enkele uren geanimeerd gepraat. Zo’n gesprek is een interessant avontuur, omdat je de leemten in elkaars geheugen opspoort en vult.

Ik was vaak verbaasd over wat ik vergeten was. Hij noemde de naam van een jongen uit de zesde klas, een notoire zittenblijver die veel overlast veroorzaakte. Ik was de hele jongen vergeten. Hij wist nog dat meneer W., onze driftige onderwijzer uit de derde klas, bij het overkomen van vliegtuigen steeds somber had geroepen: „Vliegende doodskisten!” (Geen wonder, het was negen jaar na de oorlog.)

Wat me vooral trof, was zijn herinnering aan onze vriendschap. We hadden met Willy, een jongetje met een bol, blond hoofd, een poosje een kleine clan gevormd. Nico was eruit geraakt omdat zijn moeder niet wilde dat hij met ons in het natuurbad ging zwemmen – dat mocht hij alleen met zijn zusje. Hij vertelde het op een toon alsof het hem nog altijd speet, maar zelf had ik er geen herinnering meer aan.

Er waren ook heel sterke, gedeelde herinneringen. Ik vroeg hem meteen: „Weet je nog de bijnaam van onze juffrouw in de eerste klas?” Hij antwoordde zonder aarzelen: „Juffrouw plek in de nek.” (Ze had een grote wijnvlek in haar hals.) Hij herinnerde zich ook nog precies hoe ik, in een vlaag van overmoed, in de zesde klas aan de hoofdonderwijzer had gevraagd: „Meneer, waarom klimt u in het zwembad toch steeds tegen onze kleedhokjes omhoog?” Het was een gewoonte die ons, leerlingen, zeer ergerde.

Nu hoorde ik voor het eerst dat Nico een nare, persoonlijke ervaring met deze onderwijzer had gehad. Terwijl hij op de gang voorovergebogen uit een kraan stond te drinken, had de man zijn hand in Nico’s broekje gestoken.

Ik vroeg hem of hij op een gelukkige jeugd terugkeek. Niet helemaal, zei hij, daarvoor waren zijn ouders te streng katholiek geweest.

Onze wegen hadden zich na die schooltijd volledig gescheiden. Hij was de technische kant opgegaan, via LTS en HTS, en was lang werkzaam geweest in de wereld van de industriële producten.

Dankzij NRC Handelsblad hadden we elkaar weer gevonden. Waar zo’n krant al niet goed voor is.