Een aanval van de Verenigde Staarten

Hoeveel rente ontvang je nu op een vijfjarige staatslening van een stevig euroland of de Verenigde Staten? Zo’n 0,5 procent. Hoeveel dividendrendement ontvang je op de aandelenbeurzen? Afhankelijk van de index, gemiddeld een procent of drie, en soms meer. Kijk naar Nederlandse fondsen: Ahold geeft een dividend (als percentage van de koers) van 4,4 procent. Akzo Nobel 3,9 procent. DSM 3,75 procent. Shell 4,85 procent.

Er zit op vrijwel alle Westerse beurzen een enorm gat tussen de ‘risicovrije’ rentevoet en het rendement op aandelen. De vraag is waarom er geen koopgolf op de beurzen losbreekt die dat gat dicht. Beleggers zitten op een grote hoeveelheid cash, en risicovrije beleggingen geven je nog maar een kwart van de inflatie terug.

Kennelijk is het behoud van de investering, en de zekerheid van een geringe opbrengst, aantrekkelijker. Maar er is meer aan de hand. De zakenbank Goldman Sachs publiceerde vorige week donderdag een rapport met de omineuze vraag: Are markets pricing in a rare disaster? Talloze risico-indicatoren staan diep in het rood. De markten zijn kennelijk bezig met het inprijzen van staartrisico’s: gebeurtenissen aan de randen van de kansverdeling die zelden optreden maar dan ook zeer ernstig zijn.

Het ligt voor de hand om de eurocrisis aan te wijzen als het belangrijkste staartrisico. Het opvallende van het Goldman-rapport is dat de eurocrisis lang niet alles lijkt te verklaren. Er is reden om aan te nemen dat er twee andere risico’s zijn: een lange periode van economische stagnatie in zowel China als de Verenigde Staten. En hoewel dat misschien niet direct als een acute ‘ramp’ mag worden gekenschetst, is het wel degelijk zeer ingrijpend en zeldzaam.

Er is niet één staart, er zijn er wel drie. Wat betekent dat voor ons? Op dezelfde dag waarop het Goldman-rapport naar buiten kwam, publiceerde het Centraal Planbureau de zogenoemde juniraming. Voor de periode van 2013-2017 voorziet het CPB een gemiddelde economische groei van slechts 1,5 procent. In 2013, dus volgend jaar, komt er een groei van 0,75 procent uit de bus.

Wat de prognose kwetsbaar maakt is de aanname over de internationale economie. Volgend jaar daalt de consumptie van huishoudens met een kwart procent en dalen de overheidsbestedingen met driekwart procent. De investeringen nemen slechts mondjesmaat toe, met 3,25 procent – nog uitgezonderd de slechte woningmarkt.

De enige reden waarom er nog sprake is van economische groei van 0,75 procent is de export (zonder doorvoer), die toeneemt met 2 procent. En dat is dan weer te danken aan een groei van de voor Nederland relevante wereldhandel met 4,5 procent. Of er volgend jaar überhaupt sprake is van groei in Nederland hangt dus volledig af van de rest van de wereld.

Het schokkende van de CPB-prognose tot en met 2017 is dat die vrijwel precies hetzelfde is samengesteld. De consumptie van huishoudens neemt tot 2017 toe met slechts een kwart procent per jaar. De overheidsbestedingen met 0,5 procent. De investeringen met 3,5 procent. Dat het CPB toch een gemiddelde economische groei van 1,5 procent ziet, komt door de exportgroei (ex-wederuitvoer) met 4 procent per jaar. En die is totaal afhankelijk van een groei van de wereldhandel met 5,75 procent.

Hier komen we terug op de twee andere staartrisico’s: de VS en China. Wat gebeurt er als zij langdurig stagneren? Vaarwel toename van de wereldhandel met 5,75 procent. Misschien is zelfs de magere anderhalf procent economische groei die het CPB projecteert tot 2017 wel veel te optimistisch. Kijk maar naar de beurs.

Maarten Schinkel