40 bochten afzien, dan ben je een held

Elk jaar fietsen Leendert van der Valk en zijn vrienden op vakantie een berg op. Hoe mythischer, hoe beter. Dit jaar de Stelvio uit de Giro d’Italia.

Leendert van der Valk

BOCHT 40

De koppositie. Dit is niet de bedoeling. Ik ben niet de sterkste klimmer van dit groepje van zeven vrienden dat zojuist aan de Stelvio is begonnen. Ik kijk achterom en zie dat niemand van plan is over te nemen. Heb ik me nu al laten beetnemen.

Dit is een van de hoogste bergen in Europa die je met een racefiets kunt beklimmen. Drie dagen geleden zagen we hoe het peloton van de Giro d’Italia tegen de mythische reus omhoog reed. Door een file op de Brennerpas waren we veroordeeld tot de televisie in een Italiaans café, maar de beelden waren er niet minder heroïsch om. De Belgische winnaar Thomas de Gendt reed de race van zijn leven.

Nu gaan we hetzelfde doen. Op het asfalt staan nog de namen van de Italiaanse helden: Basso, Pozzovivo, Cunego. En: ‘Pantani vive!’, Pantani leeft. We rijden op de berg waar zij reden.

Hier beneden in Bormio is het 25 graden, de zon schijnt. Boven, op 2.756 meter, sneeuwt het. Of misschien valt er hagel. Het is er rond het vriespunt.

Ze tellen hier de bochten af. Nog 39 haarspeldbochten, nog 21 kilometer, nog 1.543 hoogtemeters. Ik denk: nog meer dan 2 uur rijden.

Waar is Maarten? Hij is de beste klimmer, hij is afgetraind, hij moet voorop. Ik zie Arjan achter me, ook een betere fietser dan ik ben. Arjan is druistig, hij wil altijd. Het kost geen moeite hem op kop te dwingen; kwestie van even inhouden. We rijden kalm omhoog, ik in zijn wiel. Op een recht stuk komt Maarten voorbij, zwijgend. Hij rijdt op hartslag, geconcentreerd.

„Verleidelijk om mee te gaan”, zegt Arjan over zijn schouder.

„Als ik nu ga, pik je dan aan?”, vraag ik. Even testen hoe hij erbij zit. We zijn net begonnen, ik heb nog adem om te praten.

„Ja, dan ga ik mee!”

Goed om te weten, ik laat Maarten lekker wegfietsen.

BOCHT 36

Ik heb Arjan moeten laten lopen, maar ik heb hem nog in het vizier. Je kunt de haarspeldbochten omhoog zien lopen, dat is het mooie van deze berg: je overziet bijna de hele klim. Verderop rijdt Maarten verder weg. Achter me zit Michiel. We ballen de vuisten naar elkaar. Forza! Verder is het leeg en stil op de berg, alleen enkele motoren verstoren soms de rust.

Precies een jaar geleden beklommen we onze eerste berg. Hetzelfde groepje, zo goed als ongetraind op de Mont Ventoux. Het gaf een verslavende kick om bovenop een legendarische berg helemaal leeggereden van je fiets te vallen, in de armen van je vrienden. De een droeg de rit op aan zijn overleden vader, de ander kon door zijn tranen niet meer zeggen wat hij eigenlijk wilde vertellen: dat hij een dochter kreeg. We besloten om elk jaar een berg uit te zoeken. Hoe mythischer, hoe beter.

Kinderachtig eigenlijk, zeven dertigers die doen alsof ze helden zijn, maar ik kan me geen betere vakantie voorstellen. Fietsen is jezelf voor de gek houden. Zo lijd ik bijvoorbeeld helemaal geen pijn en ben ik geen ongetrainde renner die twee jaar geleden voor het eerst op een racefiets zat. Nee, ik ben een toptalent, op deze berg kan ik mijn plek binnen een profploeg bemachtigen.

Ik ga op de pedalen staan en trap 11 kilometer per uur. Het is hier steil.

BOCHT 26

Hier ergens demarreerde De Gendt drie dagen geleden. Hij had er al drie weken koers op zitten, die dag had hij 200 kilometer gereden waaronder de Mortirolo, de berg die volgens Lance Armstrong de zwaarste van Europa is. De Gendt sloot de etappe af met een gemiddelde van 31,8 kilometer per uur. Ik rij nog altijd 11. Onhandige gedachten, fnuikend voor de moraal. Maar ik draai, ik blijf draaien. Nog een bocht.

Ik heb het zwaar. Ik heb net een stuk van 14 procent gehad. Ik had zitten klooien met mijn versnelling en was vergeten dat ik een tandwieltje had gespaard. Ik had nog lichter kunnen schakelen, zie ik nu pas. Door dat gehark op dat stuk zit ik nu te hijgen als een paard. En ik moet eten, maar hoe? Ik spuit een voedingsgelletje naar binnen, raak nog meer uit mijn ritme en probeer de chemische citrussmaak niet te proeven.

Achter me zie ik Michiel naderen, mijn directe concurrent. Maar als ik weer achterom kijk, haalt Jaap me in. Waar komt die ineens vandaan? Die jongen zit nooit op een fiets en nu rijdt hij omhoog alsof het hier het viaduct bij Nieuwegein is.

„Mooi hè?”, zeggen we allebei, met een knikje naar het dal. Ja, heel mooi. Er zweeft een roofvogel langs de toppen. Leuk en aardig, maar zet zeven mannen op een berg en het wordt een apenrots. Weliswaar is dit een van de mooiste apenrotsen van Europa, dus geniet ik zelfs als ik gepasseerd word, maar ik krijg een mentaal tikje.

BOCHT18

Een gems. Of hoe heet zo’n bergbeest, weet ik veel. Dag gems, fijn dat je er bent.

Ik ga door een tunnel, een motor knalt voorbij. Klootzak, herrie. Als ik de tunnel uitkom blijft mijn blik vernauwd. Er wapperen woorden door mijn hoofd. Gekke gedachten. Stelvio, steil, helvio, gelvio, gelletjes, o ja, ik moet eten. Eten en drinken. Ik denk er steeds aan, maar mijn bidon is van de helling gevallen. Nee, dat is helemaal niet waar, kijk maar, hij zit gewoon in de houder. Drink dan, mafkees.

Misschien moet ik mijn tempo verlagen.

BOCHT 14

Een kerkje. Welke Italiaan bouwt hier nou een kerkje? Hier begint de sneeuw al bijna, ik zie het liggen. Mijn tellertje geeft 17 kilometer per uur aan. Het is hier vals plat. Herstellen! Als een bezetene duw ik een reep naar binnen en spuit water in mijn mond.

De situatie is nog altijd dezelfde. Jaap te ver voor me, Michiel te dicht achter me. Vuisten omhoog. Mooi! Forza!

BOCHT10

‘10 tornanti’ staat er op het bordje. Dat moeten de laatste tien bochten zijn! Ik ga het halen, misschien. Dit is het steilste stuk. Ik kruip door de bocht. ‘Una cosa sola’ staat er op het wegdek. Ik maak daar in mijn beste Italiaans van dat er maar één doel is. En dat doel is bovenkomen. Het geeft kracht.

Een Italiaan komt langzaam naar me toe gefietst. Het is de eerste andere fietser die ik zie. We knikken naar elkaar. „Ultimo chilometro!” roep ik. Dat is niet waar, we moeten nog twee kilometer, maar voor linguïstische nuances heb ik geen adem.

BOCHT 5

Overal om me heen ligt sneeuw, maar ik heb het bloedheet. In mijn hals voel ik mijn hartslag. Dat lijkt me geen goed teken. Zeker niet omdat die hartslag razendsnel gaat. Nu merk ik ook pas hoe ik hijg. Ik weet hoe het moet, rustig door de neus inademen en door de mond weer uit. Maar het kan niet, er zit te weinig zuurstof in de lucht.

Ik kijk achterom, Michiel versnelt. Dat zal me toch niet gebeuren, ik ga op de pedalen staan.

BOCHT 1

Luc! Je weet niet hoe blij ik ben om je te zien. Onze soigneur, de enige die niet fietst maar vanochtend ons pasta-ontbijt klaarmaakte. Hij staat bij de auto in de laatste bocht en hij rent met me mee omhoog. Ik sprint de laatste driehonderd meter, al is het met 13 kilometer per uur. Geen idee waar de top is. Dan voel ik de helling afnemen. Ik ben er. Ik val van mijn fiets. Iemand vangt me op en omhelst me. Het zal wel een vriend zijn. Het sneeuwt.

„Held!”, hoor ik.

„Held!”, zeg ik.