Winkelen in EK-stad Charkov

Cijfers over de wereldeconomie zijn er dagelijks. Het verhaal daar achter vertellen onze correspondenten, elke week vanuit een ander land. Vandaag: Oekraïne

Aan de rand van Charkov, tot vandaag de speelstad van Oranje, ligt Marketgrad, Marktstad. „De grootste markt van Europa”, zegt iedereen in de oost-Oekraïense stad. Marktstad is zo groot als de Efteling en dus in elk geval groter dan enige markt in Nederland. De gelikte naam is bedacht door de overheid. In Charkov kent men de markt als Barabasjovo, naar het nabijgelegen metrostation dat vernoemd is naar een lokale Sovjet-astronoom.

Vele tassen van Gucci die niet van Gucci zijn en zonnebrillen van Dior (niet van Dior) komen hier aan vanuit de haven in de zuidelijke kuststad Odessa, of met het vliegtuig. Evenals auto’s, nachtcrème en wegwerpdekseltjes, duikapparatuur, schoenen met en zonder gaatjes en gaspistolen.

„Ze hebben hier alles”, zegt een lokale bewoner. Tussenhandelaren brengen de goederen naar marktjes dieper in het oostelijk en zuidoostelijk deel van het continent. Charkov heeft vier grote uitvalswegen in alle windrichtingen. Tot de grens met Rusland is het nog dertig kilometer.

Oekraïne zelf produceert voornamelijk zonnebloemolie, zware metalen en toffees. Veruit de meeste gebruiksartikelen in Barabasjovo komen uit China. De markt, overdekt met wit-rode kappen, ademt de geur van goedkoop plastic die ook in Nederlandse knakenwinkels hangt. „Ik verdien tien euro per dag”, zegt een verkoopster van frisdrank. Niet veel, vindt ze. Een flesje ijsthee uit haar koelkast, van Nestlé, kost tachtig cent.

Barabasjovo bestaat uit acht ‘pleintjes’, allemaal enorme overkapte markten die samen zo’n achttienduizend kramen en winkels tellen. Op deze zondag is de leiding van de markt vrij, en morgen ook: het is een nationale feestdag. Bij een administratiegebouwtje staan SUV’s, bodyguards en lager personeel dat de instructie heeft niet met journalisten te praten. Maar de markt is wel open. De verkopers werken gewoon door, zonder vakantie, en twee keer per week tot middernacht zodat handelaren die overdag hun spullen verkopen, ’s avonds nog nieuwe waar kunnen inkopen.

Dmitri Bonder staat voor zijn winkeltje met naar eigen schatting één miljoen zonnebrillen. Zijn baas vliegt een keer per jaar naar China, om de modellen te kiezen. De bestellingen komen daarna via luchtvracht binnen. Zijn dat echte Ray Bans? „Nee”, grijnst Bonder, „maar ze lijken behoorlijk, vindt u ook niet?” De prijs van de brillen begint bij vier euro. Volgens de verkoper worden de echte Ray Bans ook in China geproduceerd, maar in een andere fabriek. In welke Chinese stad zijn baas de namaakbrillen haalt, vertelt hij niet – uit concurrentie-overwegingen.

Op de markt staan veel Vietnamezen, onder wie de collega van Bonder. Hij spreekt goed Russisch, maar heeft een sterk accent. Als gevolg van een politiek akkoord van Moskou met de Socialistische Republiek van Vietnam kwamen veel Vietnamezen voor een opleiding of werk naar de Sovjetunie.

Na 1991 zijn er heel wat blijven hangen. Succesvol werden Vietnamezen met handeltjes in goedkope in China geproduceerde spullen die in de nieuwe chaotische onafhankelijke staten nog slecht te verkrijgen waren. Officieel wonen volgens de laatste (maar al weer elf jaar oude) cijfers ruim 3.300 Vietnamezen in Oekraïne. De enorme Boeddhistische tempel in Charkov is door Vietnamezen opgericht.

„Ik zou liever in een Oekraïense fabriek werken en zelf iets produceren dan vreemde waar verkopen”, zegt een Oekraïense veertiger die Maja Volosenko heet. Ze staat nu zes jaar in een tassenwinkeltje op Barabasjovo. „Maar dan moet je als land wel fabrieken hebben.”

De grote Malysjevfabriek bij Charkov, die dieselmotoren en tanks maakte, heeft het moeilijk sinds de onafhankelijkheid van Oekraïne. De verkoopster zegt geen andere opties te hebben. „Zelfs een schoonmaakster moet nu een opleiding hebben. Ben je wat ouder, en ongeschoold, zoals ik, dan kun je alleen op de markt terecht.” Maja Volosenko heeft hier geen verzekering, geen pensioenopbouw, en krijgt geen loon als ze ziek is.

De meeste tassen kosten rond de elf euro – dat is de prijs voor handelaren. Een consument, die ook welkom is, betaalt dertien. Er is wel eens een inspectie geweest, maar echte problemen heeft Maja nooit gehad. De handel in namaakartikelen wordt gedoogd: mensen hoger in de keten verdienen er goed aan.

En die bodywarmer van Nike, die ze draagt? Is die ook nep? „Nee, die is echt. Uit de tweedehandswinkel. Veel beter dan die Chinese rommel.”

Thalia Verkade