opinie

    • Juurd Eijsvoogel

Vergeet het oude idee van nationale soevereiniteit

Dat we door de crisis ook in Nederland voor vele tientallen miljarden het schip in gaan begint langzamerhand wel duidelijk te worden. En dat het nog heel lang gaat duren voor we er weer bovenop zijn ook. „Wij zullen moeten inleveren, onze kinderen zullen ook moeten inleveren, en pas onze kleinkinderen zullen het weer beter krijgen”, legde iemand die zowel de Nederlandse politiek als de financiële wereld van binnenuit goed kent me onlangs uit.

Maar voor politici is het een ondankbare taak de kiezer op dit alarmerende perspectief voor te bereiden. Zeker in het zicht van verkiezingen wek je liever de indruk dat de ergste ellende nog afgewend kan worden, als de goede partij maar wint.

In Duitsland draait oppositieleider Steinmeier er niet meer om heen. Volgens hem is het „naïef te denken dat ons land deze keer zal worden gespaard”. Die boodschap is niet leuk, en ook niet goed voor het consumentenvertrouwen, maar wel zo eerlijk.

We zouden hier ook wel wat van dat soort eerlijkheid kunnen gebruiken. En dan niet alleen over de diepe recessie die dreigt en over de miljarden voor Griekenland die we nooit meer zullen terugzien, maar ook over iets anders waar we veel van kwijtraken, iets dat misschien nog wel wezenlijker is dan al die miljarden: soevereiniteit. Je ziet dat woord steeds vaker opduiken, meestal samen met het werkwoord ‘inleveren’.

Voor politici is dat nog een gevaarlijker onderwerp dan de ware ernst van de financiële toestand. Dus als Angela Merkel zegt dat er een politieke unie moet komen (meer macht voor ‘Europa’) dan doet Den Haag of ze bazelt, danwel eigenlijk alleen op financiële samenwerking doelt.

Maar ondertussen wordt in Berlijn, Brussel en Parijs wel degelijk hard gewerkt aan een plan dat de Europese samenwerking sterk moet uitbreiden om de crisis het hoofd te kunnen bieden. Over de inhoud is nog amper iets bekend, maar ook als het alleen zou gaan over financiële integratie dan nóg is de kern van het politieke bedrijf in het geding: de macht over begrotingen, bezuinigingen en het maken van schulden. Maar toen Herman Van Rompuy de plannen onlangs met Rutte kwam bespreken, smaalde de premier over ‘institutionele vergezichten’ waar we niet op zaten te wachten.

Terwijl de wedstijd om de toekomst van Europa in volle gang is, staat Nederland dus niet alleen langs de zijlijn, we kijken ook nog eens de andere kant op. Want tja, hoe verkopen we dat we straks nog meer beslissingsmacht uit handen moeten (en zullen) geven?

Het antwoord zou moeten zijn: door duidelijk te maken dat het in ons belang is, ons nationale belang.

Op veel terreinen is het al lang een illusie te denken dat Den Haag geheel zelfstandig beslissingen kan nemen. Neem de eurocrisis: voor Nederland is het lot van de eurozone van enorm belang, maar het wordt bepaald door de Franse en de Griekse verkiezingen, door het gedrag van vooral buitenlandse banken en door de opstelling van Angela Merkel.

Acht jaar geleden schreef de Amerikaanse Anne-Marie Slaughter in haar boek A New World Order al dat het traditionele begrip soevereiniteit niet meer aansluit bij de complexiteit die betrekkingen tussen landen tegenwoordig kenmerkt. Staten zijn op allerlei gebied aangewezen op elkaar, op instellingen, bedrijven en internationale organisaties. Niet één staat is nog een eiland vanwaar het nationale belang verdedigd kan worden. Landen moeten het hebben van samenwerking. In samenwerkingsverbanden als de EU, maar bijvoorbeeld ook via regio’s. Zaterdag konden we in deze krant lezen dat voor Thessaloniki, München en Metz de internationale regio waarin ze opereren belangrijker is dan het land waarvan ze deel uit maken.

Slaughter noemt het ‘nieuwe soevereiniteit’: soevereiniteit die een land juist verkrijgt door het aangaan van verbanden, het uit handen geven en delen van macht. Die paradox moeten politici onder ogen zien en er naar handelen. En ze moeten ook zien uit te leggen dat ze de nationale zaak zo niet verkwanselen, maar juist bevorderen.

    • Juurd Eijsvoogel