Shariaraad blokkeren is niet slim

De kritiek op de mogelijke komst van islamitische rechtbanken laat zien dat we in Nederland moslims nog steeds zien als een aparte sekte die tegen zichzelf moet worden beschermd, in plaats van als gewone burgers, betoogt Maurits Berger.

In de discussie over shariaraden moeten twee invalshoeken worden onderscheiden. Wat is de behoefte onder moslims? En is dat volgens Nederlandse maatstaven mogelijk en wenselijk?

De tweede generatie Nederlandse moslims hecht meer aan de islam dan de eerste. Voor hen is het belangrijk om te leven volgens de islamitische regels rondom bidden, vasten, halal eten, begraven, en ook trouwen en scheiden. Dit zijn regels van de sharia.

De islam geeft, wat betreft het familierecht, de man een betere positie dan de vrouw. Het is dus in het nadeel van de vrouw om te leven volgens het islamitisch familierecht. Toch willen veel moslima’s dit – omdat ze gelovig zijn, of omdat het zo hoort in hun gemeenschap. Juist bij jonge, hoogopgeleide moslims is dit het geval.

Deze moslims kunnen de navolging van islamitische regels zelf regelen. Dat is de vrijheid van religie die zij genieten in Nederland.

Deze vrijheid pakt overigens niet altijd voordelig uit voor de vrouw. Zo mogen katholieke vrouwen geen priester worden, moeten orthodox-joodse vrouwen het hoofd bedekken en zijn ze afhankelijk van hun man om te mogen scheiden, en mogen gereformeerde vrouwen van de SGP geen bestuursfuncties vervullen.

De Nederlandse wet schrijft weliswaar voor dat we niet mogen discrimineren en dat man en vrouw gelijk zijn, maar tegelijkertijd staat zij ook toe dat wij vrij zijn om zelf invulling te geven aan ons leven. Als mensen – vrouwen, in dit geval – een keuze maken voor een levenswijze die buitenstaanders (zoals ikzelf, overigens) afkeuren, dan blijft dat nog steeds hun vrije keuze.

Deze vrijheid heeft natuurlijk zijn grenzen. Je mag je vrijelijk onderwerpen aan sm, of je door familie laten beïnvloeden in je partnerkeuze, maar het is strafbaar als de vrijwilligheid vervalt. Dan heet het mishandeling of dwang.

Leven volgens islamitische regels is één ding, problemen oplossen volgens deze regels is een tweede. Hier rijst een moeilijkheid voor de Nederlandse moslimgemeenschap. Zij beschikt nauwelijks over mensen met voldoende kennis en aanzien aan wie moslims hun problemen of geschillen kunnen voorleggen.

De joodse, katholieke en protestantse gemeenschappen zijn daarentegen ruim voorzien van rabbijnen, priesters en dominees die adviseren of counselen. Zij hebben ook raden van geestelijken – bij de joden en katholieken alleen mannen, bij de protestanten mogelijk ook vrouwen – die oordelen vellen, zoals het uitspreken van een religieuze scheiding.

De gelovige hoeft zich hier overigens niets van aan te trekken en kan ook volstaan met een scheiding naar Nederlands recht bij de burgerlijke rechtbank, ongeacht wat die religieuze geleerden beweren.

Dit laatste is een typische vorm van ‘parallelle rechtspraak’. Een katholiek kan naar Nederlands recht gescheiden zijn zonder dat deze scheiding wordt erkend door de kerk. Een huwelijk van een jood en een niet-jood kan voor de burgerlijke stand rechtsgeldig worden voltrokken, ook al is het volgens joods recht nietig.

Dit soort parallelle rechtspraak is niet verboden. Zolang iedereen in Nederland de zekerheid heeft van het Nederlands recht, als een soort achtervang, mogen ze hun eigen leven inrichten volgens de regels van hun keuze, hoe bizar of vrouwonvriendelijk deze regels ook mogen lijken.

Een islamitische ‘raad’ (of ‘autoriteit’, ‘commissie’, ‘mediator’ – geef er maar een woord aan) zou dus voorzien in een behoefte van moslims en is wettelijk niet verboden.

Overigens bestaat zo’n raad helemaal niet en worden er ook weinig aanstalten gemaakt om hem op te richten, maar de behoefte aan advies en geschillenbeslechting is er wel. Hier rust evenwel absoluut geen plicht op de overheid. Dit is een interne aangelegenheid van de moslims.

Toch is het sociaal onwenselijk als zo’n raad er komt, zeggen critici. Ten eerste zou de keuzevrijheid van moslims om zich tot die raad te wenden schijn zijn. Er zou binnen de moslimgemeenschap grote druk uitgeoefend worden om naar zo’n raad te stappen. Dit is een valide argument, maar de vraag is of het een algemeen verbod rechtvaardigt.

Een ander argument tegen een islamitische raad is dat het zou leiden tot een verdere isolatie van de moslimgemeenschap binnen Nederland, zodat de integratie van moslims extra wordt bemoeilijkt. De vergelijking met gesloten gemeenschappen in Nederland dringt zich op: orthodoxe joden, Chinezen en gereformeerde dorpjes en stadjes. Waarom vormen die geïsoleerde gemeenschappen geen probleem, maar moslims wel?

Het antwoord is: veiligheid. Als moslims hun gang mogen gaan, zou er het risico van radicalisering zijn, denken critici – maar dit argument is evenmin steekhoudend. Het risico op radicalisering geldt misschien voor kleine, sektarische groepjes, maar zeker niet voor de moslimgemeenschap als geheel.

We blijven moslims in Nederland zien als een aparte sekte die tegen zichzelf moet worden beschermd in plaats van als Nederlanders die zelf hun leven willen en mogen invullen binnen de grenzen van de wet. Nederlandse moslims worden niet in staat geacht om verstandige beslissingen te nemen over de wijze waarop zij hun leven inrichten. Zolang dit zo blijft, zullen Nederlandse moslims hun antwoorden zoeken in het buitenland en op internet – en dát is pas een zorgelijke ontwikkeling.