Mooi voor in een liedje, maar niet voor 284 pagina's

Josh Ritter: De wonderjaren van Henry Bright. Vertaald door Ronald Cohen. Nijgh & Van Ditmar, 288 blz. € 19,95 **

Muzikant of schrijver: volgens Josh Ritter (Idaho, 1976) moet je je niet beperken tot één genre. Vandaar dat de muzikant nu ook een roman, De wonderjaren van Henry Bright, schreef.

Het lijkt een logische stap. Ritter, die in 1999 met een titelloos album debuteerde, wekte met zijn gevoelige, verhalende liedjes al snel de interesse van de folkgemeenschap. Zes studioalbums en een aantal liveopnames later is hij niet bekend bij het grote publiek, maar geliefd door zijn extreem trouwe fans met wie hij na shows vaak urenlang gesprekken voert. Recensenten loven zijn verhalende, ingetogen muziek en persoonlijkheid. Het Parool schreef over zijn laatste album So Runs The World Away (2010): ‘Ritter vertelt zo goed, dat je bijna vergeet naar de sfeervolle begeleiding te luisteren.’

Zijn teksten zijn, kortom, vaak net zo belangrijk als zijn muziek en zijn albums zijn de laatste jaren steeds meer om een narratief gaan draaien. De wonderjaren van Henry Bright was eigenlijk een nummer voor So Runs The World, maar paste niet in het plaatje en Ritter dacht bovendien dat hij voor dit verhaal meer ruimte nodig had.

Het verhaal bevat de elementen die we kennen uit Ritters muziek: de natuur, het oude Amerika, religie, magisch realisme en een klassieke held. De op het platteland van West-Virginia geboren Henry Bright vecht in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daar krijgt hij voor het eerst de stem van een engel te horen, die hem het leven redt. En die hem bij terugkomst gebiedt om de dochter van een in de buurt wonende kolonel te stelen. Wij ontmoeten Henry op het moment dat zijn vrouw gestorven is tijdens de bevalling van hun zoon en de engel (nu vermomd als paard) hem vertelt dat hij zijn huis in brand moet steken.

De wonderjaren van Henry Bright is een integer werk, met liefde geschreven. Maar het kan niet de kwaliteit van Ritters albums leveren.

De roman is een uitgebreid liedje geworden. Het verhaal is heel aardig, en op de beste momenten weet het de gruwelijkheden van de Eerste Wereldoorlog te verbinden met een sprookjesfantasie als in De Lange Zondag van de Verloving (1991) van Sebastien Japrisot (in 2004 verfilmd door Jean-Pierre ‘Amélie’ Jeunet) of te knipogen naar de starre, verknipte veteraan van Kurt Vonnegut uit Slachthuis Vijf (1969). Ritter heeft zeker ook schrijverskwaliteiten, die tot uiting komen in mooie beschrijvingen en kleurrijke personages.

Maar het geheel blijft te veel aan de oppervlakte, de personages blijven plat, het gedweep met het verleden en de flirt met religie gaan irriteren en alle drama raakt je amper. In een liedje was het prettig geweest om naar te luisteren, maar van 284 pagina’s verlang je meer. Als de schrijver dan ook nog met afzichtelijke metaforen gaat strooien (‘Zijn ribben waren net zo duidelijk te zien als de tralies van een lege gevangeniscel’) is het mooi geweest.

Lees ook het interview met Josh Ritter op pagina 24 en 25.

    • Rutger Lemm