Ex-slaven werden soms zelf slavenhouder

Het beeld dat slaven die hun vrijheid wisten te verkrijgen op Curaçao armoedig verder leefden klopt niet, zegt historicus Han Jordaan op basis van archiefonderzoek.

In de loop van de achttiende eeuw ontstond op koloniaal Curaçao een groeiende groep ex-slaven die waren vrijgelaten of zichzelf hadden vrijgekocht. De blanke bevolking minachtte deze vrije zwarten en gekleurden, maar zij vormden zeker geen gemarginaliseerde groep. Het beeld van de ex-slaaf als kansloze pauper moet worden bijgesteld. Dat concludeert de historicus Han Jordaan in zijn dissertatie Vrijheid en slavernij op Curaçao, waarop hij vorige week in Leiden promoveerde.

Jordaan onderzocht de correspondentie tussen Curaçao en de leiding van de West-Indische Compagnie in het Oud Archief van Curaçao. Daarin zit onder meer het notarieel archief met testamenten, akten van eigendomsoverdracht, enzovoort. Het gaat terug tot het begin van de achttiend eeuw.

Curaçao was geen typische plantagekolonie. De bodem hield te weinig water vast en was daarom minder geschikt voor de verbouw van marktgewassen. Maar het eiland beschikte over een uitstekende natuurlijke haven. Willemstad werd aan het eind van de zeventiende eeuw een knooppunt van de Atlantische handel, waar goederen uit Europa en tropische producten werden overgeslagen en waar slaven werden verhandeld voor de naburige Spaanse koloniën.

Deze dynamiek had gevolgen voor de slavernij op Curaçao, zegt Jordaan. „Het zwaartepunt van de economische activiteit lag niet op de plantages, die alleen voorzagen in plaatselijke behoeften aan voedsel, maar in de stad en de haven. Daar was veel werk. De schepen moesten worden bemand, er waren sjouwers nodig en er waren scheepstimmerwerven. Rond de haven was een hele vertierindustrie: kroegen, bordelen. En er was huispersoneel nodig. Het grootste deel van de bevolking woonde in de stad. In 1789 zijn er de eerste betrouwbare bevolkingscijfers. Dan wonen er op Curaçao zo’n 21.000 mensen, van wie 11.000 in Willemstad.”

Bijna overal werden slaven ingezet: als havensjouwer, als schepeling. Jordaan: „De gage van zeelieden ging naar de meester. Slaven verkochten op de markt ook waren of werkten als timmerman of metselaar. Dan werd er een afspraak gemaakt tussen meester en slaaf, waarbij de slaaf een vast bedrag afdroeg. Officieel konden slaven geen bezittingen hebben, maar conform het Romeinse recht, dat van toepassing was op slavernij in de Nederlandse koloniën, kon een slaaf een zogenoemd peculium hebben, spaarpenningen die de meester hem liet houden.”

Omdat slaven konden sparen, konden ze zich ook vrijkopen. Zestig procent van de vrijlatingen, blijkt uit de stukken, was vrijkoop en in tweederde daarvan bracht de slaaf zelf het bedrag op. Zo groeide de groep vrije zwarten en gekleurden. In 1789 woonden er op Curaçao 20.988 mensen, van wie 12.864 slaven. De groep vrije zwarten en gemengdbloedigen was net iets groter dan de blanke groep, 3.714 tegen 2.461 christen-blanken en 1.095 sefardische joden.

Op den duur waren de vrije niet-blanken in vrijwel alle sectoren van de Curaçaose economie actief. Jordaan: „In de archieven kom je regelmatig vrijen tegen, zwarten of gekleurden, die een redelijk bestaan hebben. Die in de handel zitten, zelfs schepen in eigendom hebben. Die zelf slaven bezitten. Al van het begin van de achttiende eeuw zijn lijsten bewaard gebleven van verkochte slaven die door de WIC werden aangevoerd. Dan zie je een groep van zo’n 16 vrije zwarten die toch dure slaven kopen van de compagnie. Dus heel vroeg in de achttiende eeuw is er al een groep – waarschijnlijk maar een klein deel van alle vrijen – die zich dat kan veroorloven.”

Maar er bleef sprake van discriminatie op grond van huidkleur. Slaven en vrije niet-blanken werden vaak op één hoop gegooid en kregen vaak dezelfde straffen, zegt Jordaan. „Waar een blanke een boete kreeg, kreeg een vrije niet-blanke een lijfstraf. De gekleurde groep, van gemengd bloed, was in een iets gunstiger positie, en hoe lichter gekleurd, hoe gunstiger. Omstreeks 1750 wilden blanke burgers huwelijken tussen blanken en niet-blanken laten verbieden, maar het gouvernement wilde de niet-blanken niet te zeer tegen zich innemen.”

De blanke bevolking had de vrije niet-blanken nodig, onder meer voor de verdediging van het eiland en de handhaving van de openbare orde. Jordaan: „De blanke burgerwacht was vaak onbetrouwbaar en het garnizoen beroepsmilitairen relatief klein. Sinds de jaren dertig van de achttiende eeuw waren er op Curaçao twee reguliere niet-blanke korpsen: de ‘vrije negers’, een bereden eenheid, en de ‘vrije mulatten’ die te voet opereerden. Zij handhaafden de orde in de Otrabanda, een wijk waar veel slaven en vrijen woonden, en moesten voorkomen dat slaven in bootjes naar Venezuela vluchtten.”

    • Dirk Vlasblom