Bonte geschiedenis van heilige overtuigingen

Bob de GraaffOp weg naar Armageddon: De evolutie van fanatisme Boom, 625 blz., € 29,90

In de slotalinea van zijn omvangrijke studie naar wat fanatici drijft, vertelt Bob de Graaff wat zijn motieven waren om dit boek te schrijven. Hij is als historicus „gefascineerd door de stootkracht waarmee apocalyptische processen soms baanbrekend zijn naar andere tijden, ook al zijn dat niet de door hen bedoelde. Fanatisme is weergaloos in de hoop die het uitstraalt, in het verderf dat het kan zaaien en in zijn baanbrekendheid naar andere tijden.” Maar, en dan zijn we terug bij het beginhoofdstuk, de historicus schiet ook een beetje in de lach om „de voortdurende herhaling door fanatici van een aangekondigd einde der tijden dat geen einde blijkt te zijn”.

Die fascinatie is in heel het boek goed te voelen. De Graaff, hoogleraar Inlichtingen- en veiligheidsstudies, gaat voor de grote greep. Hij beschrijft wat hij zelf noemt de genealogie van het fanatisme.

Startpunt is het Bijbelboek Openbaring, het laatste boek van het Nieuwe Testament, ook wel de Apocalyps genoemd. Die keuze moet de begrenzing van het thema aangeven: het gaat De Graaff om fanatici die gewapenderhand een heilstaat dichterbij willen brengen „hetzij door de vestiging van een heilsrijk op aarde, hetzij door zelf in en na de dood een onmiddellijke paradijselijke toestand te realiseren.”

Helemaal helder en consequent is die begrenzing niet. Maar het levert boeiende deelstudies op. Via het christelijke fanatisme, met onder andere de Wederdopers, komt De Graaff bij het postchristelijke fanatisme van Verlichtingsdenkers als Rousseau en Robespierre.

Daarna volgt een deel over ideologisch fanatisme, met natuurlijk Lenin en Hitler en het Derde Rijk, maar ook anarchisten als Bakoenin, van wie werd gezegd dat hij in zijn streven naar revolutie de derde maand van de zwangerschap aanzag voor de negende.

Het vierde deel heet ‘Hedendaags fanatisme’ en gaat over de Amerikaanse christelijke milities en islamitische heilsverwachtingen. De Graaff probeert dat religieuze fanatisme af te bakenen van terrorisme, maar ook hier zijn de grenzen vaag. Dat geeft soms de indruk van een zekere willekeur.

Zijn pogingen om in de slothoofdstukken conclusies te trekken, leiden tot veralgemeniseringen waarvan je je afvraagt in hoeverre die kloppen. „Veel van deze verkondigers (van messianistische boodschappen) vertoonden op jeugdige leeftijd het beeld van boekenwurmen en buitenstaanders. […] Zij hadden hun fantasie gemeen en fantaseerden zich als het ware een verlossing.”

Maar definitieproblemen en een wat grof penseel doen weinig af aan wat dit boek interessant maakt: het is een bonte ideeëngeschiedenis van mensen die heilig geloven dat ze de waarheid in pacht hebben. Geschreven door een historicus die zegt dat twijfel aan het eigen gelijk de voorwaarde is voor een menswaardig samenleven.