'Als wij de bal hebben, kunnen niet scoren' hun

Johan Cruijff verrijkte onze voetbaltaal met talloze wijsheden. Cruijffianen zeggen zijn woordenstroom steevast te begrijpen, voor sommigen zijn ze ondoorgrondelijk.

Gelukkig is er ook ‘Cruijff voor Beginners’. Dat is heldere, simplistisch ogende taal, waar vaak een diepere, bijna filosofische betekenis achter schuilgaat. Een kleine selectie uit dat repertoire: „Er is maar één bal in het spel, en als wij hem hebben, hebben zij ’m niet.” En: „Als wij de bal hebben, kunnen hun niet scoren.”

Cruijff zegt dit niet zonder reden. Hij, zo’n beetje de grondlegger van het Nederlandse ‘totaalvoetbal’, vindt dat een voetbalelftal moet domineren, heersen, en bijna voortdurend balbezit moet hebben. Dit zien we momenteel terug bij Barcelona, de club waar Cruijff ooit trainer was, waar de speelstijl gekenmerkt wordt door techniek, snelheid en pressie. ‘Tiki Taka’ noemt men dat. Barcelona grossiert in balbezit en speelt de bal gemiddeld ongeveer zeshonderd keer naar elkaar – circa tweehonderd keer meer dan andere teams.

Spanje, met veel spelers van Barcelona in de selectie, kopieert die speelstijl min of meer. De Spaanse sportkrant AS berekende dat Spanje tegen Ierland liefst 898 passes gaf, een nieuw record. Niet alleen in de score, 4-0, ook qua balbezit (66 tegenover 34 procent) was het krachtsverschil overduidelijk.

Maar is meer balbezit altijd zaligmakend? Nee, niet bepaald. Hoewel het Nederlands elftal langer aan de bal was tegen Denemarken (53-47 procent) en Duitsland (52-48 procent) werden beide duels met een doelpunt verschil verloren. De Denen maakten hetzelfde mee; ze verloren van Portugal (2-3), maar wonnen het dik qua balbezit (58-42 procent).

Ook het Rusland van bondscoach Dick Advocaat kan erover meepraten. De Russen waren tegen de Polen al dominanter (57-43) maar hielden aan dat duel maar één punt over. Zaterdag tegen de Grieken was het verschil nog groter (62-38), maar leed Rusland een 1-0 nederlaag – en ging niet Rusland maar Griekenland naar de kwartfinales. Nee, dan de eerste wedstrijd. Rusland won overtuigend van Tsjechië (4-1), maar had wel ietsje minder balbezit (49-51 procent).

En zelfs Spanje verzuimde tegen Italië (1-1) ondanks hun dominantie in de statistieken – met 62 procent balbezit en bijvoorbeeld 18 om 10 doelpogingen – te winnen.

Opvallend is dat er op dit toernooi vaak verloren wordt door ploegen met meer balbezit. Bij de achttien gespeelde wedstrijden (gerekend tot en met zaterdag) viel dertien maal een winnaar te noteren, maar slechts zes keer triomfeerde het land dat ook qua balbezit de bovenliggende partij was. Meest schrijnende voorbeeld: Rusland-Griekenland (0-1 en 62-38).

Maar, en dat dient gezegd, het is ook nooit goed met Nederland. Stel dat Arjen Robben twee jaar geleden in de finale niet tegen de noppen van de Spaanse doelman Iker Casillas had geschoten maar in het doel en ons zodoende wereldkampioen had gemaakt. Dan was de discussie over de uitvoering, waar Cruijff voortdurend op hamert, zeker niet minder geworden. Want Nederland moet domineren, heersen, en bijna voortdurend balbezit hebben – en dat was tegen de Spanjaarden niet het geval.

Intussen spelen Xavi, Iniesta en Fabregas de bal nog een keertje naar elkaar. Van je Tiki Taka.