Alles is van plastic

Een week zonder plastic – het blijkt onmogelijk. Alles is van plastic, of het is er in verpakt. En het verfoeide materiaal heeft ook grote voordelen.

Maite Vermeulen

fotograaf Lisardo Fernandez Ferreiro

Het is vroeg. Mijn ogen zitten nog dicht van de slaap en ik doe mijn twee boterhammen doelbewust in een trommeltje. Het gebruikelijke boterhamzakje blijft in de la liggen. Het is mijn eerste wapenfeit van Zero Plastic Week*. Een week waarin ik probeer geen nieuw plastic te gebruiken. Geen plastic verpakkingen, geen plastic tasjes, geen plastic bekertjes.

Elke Nederlander gooit jaarlijks zo’n 37 kilo plastic weg. Dat is 14 procent van al ons afval. Het lijkt weinig, maar het volume in de prullenbak is enorm: bakjes en pakken zijn heel licht, maar nemen veel ruimte in. We gebruiken bovendien veel meer plastic, dat we niet direct weggooien – als we tanden poetsen, een e-mail sturen of in de metro op een plastic stoel zitten. Maar deze week gaat het mij om het verpakkingsplastic, het ‘kortegebruiksplastic’, het ‘uitpakken-en-wegwerpen-plastic’. Dat is deze week niet aan mij besteed.

Tenminste, dat is het doel.

Bij de eerste lunch zondig ik al. Ik neem in de kantine expres geen salade – die zitten in plastic bakjes – maar schenk mijn soep vervolgens doodleuk in een plastic beker. Zonder erbij na te denken. Ik troost mezelf door de hele dag met een mok naar de koffieautomaat te lopen, waar ik normaal gesproken een dozijn plastic bekertjes per dag uit trek. En ’s avonds kook ik een heuse plasticloze maaltijd: rijst (uit karton) met courgette en rode paprika (zonder folie) en broccoli (uit het vriesvak in karton), in curry (uit pot) met kokosmelk (uit blik). Het is wel wat flauwtjes, maar ja: alle kruiden zitten verpakt in plastic.

Op dag twee slaat de paranoia toe. Dat stickertje op mijn kiwi, is dat ook plastic? En het kartonnen pak melk dat ik heb gekocht, shit, dat heeft een plastic laagje aan de binnenkant. Het vaatwasblokje zit in een plastic hoesje. De pindakaas heeft een plastic dop. Zes blikjes bier zitten in een plastic jasje. En zelfs de koekjes van de natuurwinkel gluren uit hun papieren zak door een plastic ruitje naar buiten. Als ik ’s avonds een kopje thee bestel in een café zit het theezakje in een plasticje.

Op dag drie zet ik me over mijn gêne heen. Ik loop de bakker in met mijn lege plastic broodzak en vraag of ik een Hollands Grof gesneden in dezelfde zak mag. Dat is, tot mijn opluchting en lichte verbazing, niets nieuws voor de bakker. Er was al eens eerder een vrouw die telkens met dezelfde zak kwam. „Maar na een tijd zat er schimmel in dat zakje”, gruwt de bakker. „Dan doe ik er geen nieuw brood meer in hoor, dan krijg ik de Keuringsdienst op m’n dak! Hier schat, met hetzelfde plakkertje, fijne dag!” Tevreden loop ik terug naar huis. Ik houd het brood in mijn handen alsof het de wereldbol is uit de ‘een beter milieu begint bij jezelf’-reclame.

Maar ben ik nou écht zo goed bezig? Red ik de ijsberen, de panda’s, de mensheid, door mijn zakje te recyclen? En is het wel zo slecht dat alles in plastic zit, of zijn andere materialen stiekem milieubelastender?

Geert Bergsma is onderzoeker bij CE Delft, een onafhankelijk onderzoeksbureau, en heeft veel onderzoek gedaan naar verpakkingsmateriaal. „Plastic heeft een slecht imago”, constateert hij. „Het wordt vaak geassocieerd met milieuproblemen. Per kilogram is plastic inderdaad het meest milieubelastende materiaal. Maar het voordeel van plastic verpakkingen is dat ze heel licht kunnen zijn. Daardoor kost het minder energie ze te maken en te vervoeren.”

„Als je bijvoorbeeld naar drankverpakkingen kijkt”, gaat Bergsma verder, „dan komt plastic milieutechnisch helemaal niet zo slecht uit de bus. Eenmalig glas, zoals een breezerflesje of sapfles waar geen statiegeld op zit, is het slechtst voor het milieu. Veel mensen denken dat glas beter is, omdat ze het in de glasbak kunnen gooien. Maar ondanks het hergebruik is dit glas twee tot drie keer schadelijker voor het milieu dan plastic. Dit komt vooral omdat glazen verpakkingen zwaar zijn, wat veel materiaal en energie om te vervoeren kost. Blikjes staan ongeveer gelijk aan plastic flessen. Het beste voor het milieu is drankkarton.”

Maar hoe zit het dan met producten die ook zonder plastic verpakking kunnen worden aangeboden: een komkommer, of een paprika bijvoorbeeld? Bergsma: „Plastic folie is vele malen minder erg voor het milieu dan het bederven van producten. Paprika’s en komkommers blijven langer houdbaar in plastic, en worden dus minder verspild. Ik noem paprika’s aardgasbommetjes: er wordt zoveel energie gebruikt voor het kweken in kassen, dat het verspillen van de paprika honderd tot tweehonderd keer zo slecht voor het milieu is als de plasticverpakking eromheen. Je kunt dus beter minder eten verspillen dan je druk maken over de verpakking.”

Bij Stichting Milieu Centraal houden ze er een specifiek cijfer op na. „Over het algemeen geldt dat je een product beter kunt verpakken als er anders 10 procent of meer verloren zou gaan”, vertelt onderzoeker Systke de Waart. „Als je een komkommer dus op je aanrecht laat liggen en je moet vervolgens de helft wegsnijden omdat het bedorven is, dan had je er beter een plasticje omheen kunnen doen.”

Voor verpakkingen van niet-bederfelijke producten gaat dit verhaal niet op. „Het probleem ligt bij sectoren die kleine producten, zoals bijvoorbeeld een usb-stick, in hele grote verpakkingen aanbieden”, zegt Bergsma. „Op een kleinere verpakking kan minder informatie, een minder groot logo, kortom: kleinere verpakkingen verkopen minder goed. Op dat terrein valt nog veel winst te halen.”

Plastic verpakkingen zijn in Nederland volgens De Waart al wel verbeterd: „In 2006 kwam er vanuit de overheid veel druk om verpakkingen minder milieubelastend te maken. De hoeveelheid materiaal per verpakking is toen sterk gedaald, bijvoorbeeld door dunnere flessen te maken. Alleen: wij kunnen wel heel erg ons best doen, maar als we vervolgens producten importeren uit Spanje of Italië heeft de consument daar niks aan.”

Ik ben een tikje gedesillusioneerd op dag vier. Doe ik dit dan voor niks? Als ik ’s avonds in een propvolle voetbalkroeg een plastic beker cola in mijn hand gedrukt krijg, drink ik hem in één teug leeg en gooi de beker expres op de grond.

Ik eet de volgende ochtend een plasticloos croissantje (Danerolles, uit blik) en denk aan de plasticsoep in de Grote Oceaan: een drijvende plasticmassa, ongeveer 34 keer zo groot als Nederland. En aan de buschauffeur in Bolivia, die ik eens vroeg om een prullenbak voor mijn lege flesje. Hij pakte het flesje lachend aan en gooide het door het raam naar buiten: bij de stapels ander afval. Daar gaat toch iets mis? In Rwanda lijken ze te beseffen dat het zo niet langer kan: daar zijn plastic tasjes verboden – de koffers van toeristen worden grondig doorzocht.

Nu gooien we in Nederland ons plastic over het algemeen wel in de prullenbak, en dat scheelt. Het plastic wordt dan verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie (AVI), waarbij ook energie wordt opgewekt. „Van de grofweg 100 MJ energie in een kilo kunststofverpakkingen, wordt in een AVI ongeveer 16 MJ energie teruggewonnen”, vertelt Ulphard Thoden van Velzen, verpakkingswetenschapper aan de universiteit van Wageningen. „Maar beter voor het milieu is het gescheiden inzamelen van plastic, waardoor het gerecycled kan worden. Het kost namelijk maar 15 MJ per kilo om kunststofverpakkingsafval gereed te maken voor hergebruik, dus als je daarmee nieuwe kunststof zou vervangen bespaar je maximaal 85 MJ per kilo.” Hergebruikt plastic is niet overal toepasbaar, maar er kunnen bijvoorbeeld heel goed tuinmeubels, vlonders, speciekuipen, rioolbuizen, fleecetruien, wegpaaltjes, plantenbakken en rood-witte ‘schrikhekken’ van gemaakt worden.

In België en Duitsland gebeurt dat al zeker tien jaar, maar Nederlandse huishoudens scheiden nog steeds maar een magere 30 procent van al het plastic. Dat is al wel wat: CE Delft rekende uit dat het 0.25 megaton CO2 per jaar bespaart – zo’n 1,7 miljard autokilometers, of 242 km per huishouden. Als we echter al het plastic zouden scheiden kan dat de milieudruk halveren: dan zouden we per huishouden zo’n 500 autokilometers per jaar besparen.

Officieel moeten alle gemeentes hun inwoners de mogelijkheid geven om plastic te scheiden. Maar in de praktijk is dit vooral in grote steden lastig. „In sommige kleine gemeentes wordt 60 procent van het plastic al gescheiden, maar in Rotterdam is dat bijvoorbeeld maar een paar procent”, vertelt Bergsma van CE Delft. „Als mensen heel ver moeten fietsen naar een inzamelbak, doen ze dat niet.”

Waarom loopt Nederland dan zo achter op het gebied van afvalscheiding? Bergsma: „Voor een deel is dat de wet van de remmende voorsprong. Wij zijn al vroeg gestopt met afval storten en hebben geïnvesteerd in goede afvalverbranding. Maar voor een deel is het ook de sterke lobby van de industrie – die heeft enorm veel invloed op het afval- en verpakkingenbeleid en wilde eerder geen extra kosten maken om plastic te scheiden.”

Het is dag vijf en mijn wc-papier is op. Ik wil mijn billen echt niet met een krant afvegen en loop dus naar de supermarkt. Thuis pak ik de rollen uit en gooi ik de plastic verpakking in een nieuwe, daarvoor bestemde plastic zak: dan maar een kwartiertje fietsen om het plastic te scheiden.

    • Maite Vermeulen