Oranje is grillige propaganda. Een mini-samenleving die uiteen kan spatten

Oranje voor de wedstrijd tegen Duitsland. Foto Reuters / Yves Herman

In Ivoorkust werd het nationale elftal, na uitschakeling in de Africa Cup of Nations 2000, drie dagen opgesloten in een militair kamp. Naar verluidt moesten de voetballers daar als kikkers rondspringen en lessen volgen in patriottisme. Zulks zou premier Rutte onze spelers nooit aandoen, maar reden tot zorg heeft hij wel: nationale teams zijn er namelijk om het volk tevreden te houden. Het brood is op, we moeten het nu van de spelen hebben.

Topvoetbal is zoiets als oorlog, zei Rinus Michels ooit. Nog meer dan oorlog is voetbal nation building. Het vormen van een natie - dat abstracte gedoe waar beleidsmakers en politici zo aan hechten. Burgerschap, participatie, integratie, maatschappelijke discussies over normen en waarden: al dat instrumentarium haalt het niet bij de verenigende kracht van een voetbalroes.

Dat komt omdat de natie een verbeelde gemeenschap is, een concept dat de Amerikaanse antropoloog Benedict Anderson uitwerkte in zijn boek Imagined Communities (1983). Een sociaal construct dat volgens hem niet gebaseerd is op echt contact tussen de leden, maar op een beeld waarmee iedereen zich kan identificeren. “Ongeacht de feitelijke ongelijkheid en uitbuiting, wordt de natie opgevat als een diep, horizontaal kameraadschap. Uiteindelijk is het deze broederschap die mensen ertoe aanzet vrijwillig te sterven voor een dergelijke verbeelding.” Natievorming komt volgens hem na staatsvorming: eerst de instituties, dan de beelden. Zonder het laatste, houdt het eerste geen stand.

‘Het is onze taak mensen gelukkig te maken’

Volgens Stephen M. Walt, hoogleraar internationale betrekkingen aan Harvard University, zijn lokale affiniteiten en territoriale loyaliteiten de belangrijkste kracht achter natievorming. Gaat dat niet gelijk op met de werkelijke landsgrenzen, dan komt er bonje zoals in voormalig Joegoslavië. “Het geloof dat de mensheid is onderverdeeld in verschillende culturen – mensen die taal, symbolen en mythes delen – en dat die groepen recht menen te hebben op een eigen staat, is de meest overweldigende kracht van de afgelopen twee eeuwen”, schreef hij in het tijdschrift Foreign Policy. Walt ziet nationalisme daarom als een echte ideologie. De kenmerken, zoals folklore of religie, zijn slechts onderdelen.

Terug naar Ivoorkust, de Africa Cup of Nations in 2000. Als voetbalbond FIFA het strenge regime niet gedreigd had met sancties, was het elftal nog veel langer opgesloten. De spelers hebben er wel wat van geleerd, blijkt uit het boek Soccer Vs. the State: Tackling Football and Radical Politics (2011) van Gabriel Kuhn. “Het is onze taak de mensen gelukkig te maken, te zorgen dat ze alles vergeten”, zo citeert hij de Ivoriaanse profvoetballer Kolo Touré.

‘De beste ambassade die we ooit hebben gehad’

In Zaïre, huidig Congo, kwamen de voetballers er slechter vanaf. Na de mislukte deelname aan het WK in 1974 werden zij door de overheid uitgesloten van voorzieningen - de rest van hun leven brachten de voormalig profs in armoede door. Uday Hoessein, zoon van de beruchte Saddam en sportbestuurder onder het voormalige Irakese regime, stond er om bekend blunderende spelers te martelen. Volgens Suzanne Goldenberg, Guardian-correspondent tijdens de invasie, belde Uday weleens tijdens de rust naar de kleedkamer. Niet om de spelers moed in te praten, maar met de bedreiging dat hun benen eraf gaan bij verlies.

Zelfs het meest gestoorde Afrikaanse regime gaat niet zo ver, maar schaamte voor de straffen is er allerminst. “Als ik hun hoofden scheer is dat om duidelijk te maken dat ze de eer van het leger moeten verdedigen”, zei Zoumana Traoré in The Guardian. De directeur van het militaristische nationale elftal van Burkina Faso gooide zijn ploeg eens de cel in na verlies. “Het zijn soldaten, dat moeten ze zich realiseren. Voetbal in het leger is niet zomaar een sport, maar een missie”, verklaarde hij.

Antropologisch sportjournalist Simon Kuper noemt dit ‘totalitair voetbal’. In zijn boek Soccernomics (2009) haalt hij een veelzeggende uitspraak aan van María Castiella, minister van Buitenlandse Zaken in het Spaanse regime van Franco: “Real Madrid is de beste ambassade die we ooit hebben gehad.” Dat doet denken aan een mededeling van onze oud-minister van Buitenlandse Zaken. Na de glorieuze overwinning op Brazilië (WK, 2010) twitterde Maxime Verhagen: “De felicitaties voor Nederland van ambtgenoten komen binnen via SMS.”

‘Moet je opletten hoe dit elftal elkaar niet helpt’

Waar democratische politici meeliften op voetbalsucces, daar jagen dictators de voetballers flink op. Succes op het veld bestendigt hun positie als leider, een tevreden en trots volk komt niet snel in opstand. Het is propaganda op zijn meest levendige manier. De weerslag van het nationale voetbal op democratieën is er echter niet minder om. Toen Nederland in 2008 met 4-1 van Frankrijk won, schoof premier Balkenende direct aan bij Studio Sport om het succes te claimen. Een slimme actie van de gemeenschapsdenker, want zoals historicus Coos Huijsen schreef in De Oranjemythe (2001): “Je kunt geen gemeenschap vormen met alleen abstracte begrippen als vrijheid en democratie. Er is ook behoefte aan een emotionele dimensie die zin en betekenis geeft aan het zijn van een gemeenschap.”

Juist daarom is het erg als een nationaal elftal matig speelt, zeker als het ontbreekt aan samenwerking binnen het team. De propagandistische kracht van het elftal wordt dan plots vernietigend. Frankrijk is daar het meest trieste voorbeeld van. Nadat het slecht presterende WK-elftal van 2010 door ruzies uiteengedreven was, zei de Franse filosoof Alain Finkielkraut dat het sportdrama “een verdeelde natie in onverbiddelijk verval” weerspiegelt. Een samenleving die “door etnische en religieuze spanningen” wordt gespleten. Jean-Marie Le Pen, voormalig leider van de rechts-nationalistische partij Front National, ging eerder met het elftal als ‘mini-samenleving’ op de loop. In 2006 klaagde hij dat het team teveel allochtone spelers heeft en zodoende de Fransen onvoldoende vertegenwoordigt. Een gevoel dat blijkbaar ook bij hoge voetbalbonzen leeft, want vorig jaar lekte er een plan voor een ‘allochtonenquotum’ uit. Bondscoach Laurent Blanc zou ermee ingestemd hebben. Een nationale rel volgde.

Het elftal als mini-samenleving is zo bezien een gevaarlijk beeld. Wat Frankrijk gebeurde, kan Nederland ook overkomen. Na de nederlagen tegen Denemarken en Duitsland is het zaak de slechte sfeer in het elftal niet te vermaatschappelijken. De verleiding is echter groot. Wie goed luistert naar voetbalcommentatoren, hoort daarin een analyse van ‘s lands toestand. “Wat ik mis is de hele bereidwilligheid om iets te doen voor een ander”, zei oud-doelman Ronald Waterreus in NOS Studio Sportzomer. “Moet je opletten hoe dit elftal elkaar niet helpt”, reageerde oud-prof Jan van Halst met de beelden als ondersteuning. “Het zijn kleine dingetjes, maar het klopt precies wat Ronald zegt: geen bereidwilligheid.” Het grootste gevaar zit ‘m echter in de voetbalanalyticus die ook nog verstand heeft van politiek, zoals Jan Mulder. Een vroege uitschakeling heeft invloed op de verkiezingen, betoogde hij. Wat bedoel je daarmee, vroeg iemand aan de NOS-tafel. Mulder: “Proteststemmen!”

    • Steven de Jong