Watergate is zoiets als oude Rome

De erfenis van Watergate staat onder druk, constateren Amerikaanse journalisten. Kranten zijn te arm voor dure onderzoeksjournalistiek. Wie belt er nog thuis aan bij een bron?

**FILE** Reporters Bob Woodward, right, and Carl Bernstein, whose reporting of the Watergate case won a Pulitzer Prize, sit in the newsroom of the Washington Post, May 7, 1973. W. Mark Felt, a former FBI official claims he was "Deep Throat," the long-anonymous source who leaked secrets about President Nixon's Watergate coverup to The Washington Post, Vanity Fair reported Tuesday May 31, 2005. (AP Photo) AP

Het beroemde kantoor op de zesde verdieping van 2600 Virginia Avenue, in donkere jarenzestigstijl, staat leeg. Niets herinnert aan het historische belang van deze locatie, behalve de naam. Watergate.

Dit kantoor is de plek waar precies veertig jaar geleden, op 17 juni 1972, vijf mannen inbraken in het toenmalige hoofdkwartier van de Democratische Partij. Een roltrap in het gigantische complex, in het centrum van Washington, leidt naar beneden. Daar bevindt zich een kleine galerie, waar 79 geschilderde portretten hangen. Het zijn de hoofdrolspelers uit de Watergate-affaire. President Nixon hangt er, de politieke kopstukken, de bron Deep Throat. De mooiste plekken zijn bewaard voor de journalisten, Carl Bernstein en Bob Woodward. „Het is jammer zoals we met ons verleden omgaan”, zegt Dale Johnson, de galeriehoudster. „Watergate lijkt soms vergeten. Zelfs hier, op de plek waar het allemaal begon. Het is geschiedenis, verder niets.”

De Watergate-affaire leidde niet alleen tot de val van president Richard Nixon. Het markeerde een lange bloeiperiode voor de Amerikaanse onderzoeksjournalistiek, zegt oud-redacteur Chris Daly van The Washington Post. Hij is nu hoogleraar journalistiek aan de Universiteit van Boston. Woodward en Bernstein, de jonge journalisten van The Washington Post die de zaak aan het rollen brachten, werden wereldberoemd. De film All The President’s Men was voor veel journalisten een inspiratiebron om het lastige vak van onderzoekjournalistiek in te gaan. Daly: „Maar bovenal was het de glorietijd van een soort journalistiek die zeldzaam geworden is. Het was de tijd dat journalisten de macht wilden controleren en er nog geld aan konden verdienen ook. Dat is voorbij.”

Na veertig jaar staat de erfenis van Watergate onder druk, concludeert ook Leonard Downie Jr., oud-hoofdredacteur van The Washington Post (1991-2008) en nu hoogleraar journalistiek aan Arizona State University, in een stuk in zijn voormalige krant. Nog altijd is onderzoeksjournalistiek nodig om de kernwaarden van de democratie te controleren, schreef Downie. „Maar de opkomst van digitale media en een dramatisch verlies van publiek en adverteerders hebben het financiële model ondermijnd waarop zo veel onderzoeksjournalistiek is gebaseerd.”

Volgens Downie eindigden de hoogtijdagen van de geschreven pers in het einde van de twintigste eeuw. Onderzoeksjournalistiek vergt tijd en geld, die alleen grote journalistieke organisaties kunnen opbrengen. De opkomst van digitale media biedt volgens Downie weinig alternatief, want hoewel hij er de passie in herkent van de gloriejaren van ‘Woodstein’, ontbreekt het hun aan geld en organisatie om aan lange projecten te werken.

Deze week waren Carl Bernstein en Bob Woodward te gast op een symposium dat The Washington Post organiseerde om het 40-jarig jubileum van Watergate te markeren. Het is waar, gaven ze toe. Ze konden de Watergate-affaire uitpluizen omdat ze alle tijd kregen. Maandenlang werkten de journalisten aan hun primeurs. Bernstein: „Ik had geen Twitter, of Facebook, en kreeg alle ruimte van de hoofdredactie om te onderzoeken.”

Er was bovendien nog een verschil met de journalistiek van nu, merkte Bernstein op. Hij had geen verborgen agenda. „Ik was niet uit op de val van Nixon, we wilden het verhaal rond krijgen. In september 1972 hadden Woodward en ik een gesprek op de redactie, waarin ik opeens uitriep: ‘O mijn God, de president zal afgezet worden.’ Woodward zei toen: ‘Ja, maar dat mogen we nooit meer op de redactie zeggen, dan lijkt het alleen maar of we daarop uit zijn’.”

Volgens Bernstein is de journalistiek van nu partijdiger, en daardoor minder interessant. Met name conservatieve media als Fox News leveren volgens hem de gekleurde feiten, en vinden meningen belangrijker dan feiten. „We leven in een tijd van kunstmatige controverses. De informatieoorlog is een oorlog om ideeën. Wat wij deden, was gewoon ergens heengaan en luisteren, met open vizier. Dat zie ik nu te weinig terug.”

Internet heeft volgens Bob Woodward veel taken van de onderzoekjournalist verlicht. Beroemd is zijn lange speurtocht in 1972 door telefoonboeken naar de gegevens van Kenneth Dahlberg, een spilfiguur in het Comité voor Herverkiezing van de President, dat achter de inbraak in Watergate zat. „Nu zou je zo’n man meteen via Google vinden.” Maar internet creëert ook luie journalisten, aldus Woodward. „Ik gaf laatst gastcollege aan studenten journalistiek. Zij dachten dat ze Watergate wel hadden ontrafeld door te googlen met de zoekterm ‘geheime fondsen’. Het onderzoek dat wij deden, dwong ons bij iedereen langs te gaan. Dat was tijdrovend, maar heeft het onderzoek enorm geholpen.”

Nog altijd werkt Woodward (69 inmiddels) volgens zijn oude methode. Hij zoekt uit waar een mogelijke bron woont, en belt er thuis aan. Zo kreeg hij de informatie los tijdens het schrijven van zijn boeken over de oorlogen van George W. Bush, en zo schrijft hij nu een boek over president Obama. „Bij generaals bel ik altijd om kwart over acht ’s avonds aan. Dan hebben ze gegeten en is er rust in huis. Ze nemen dan vaak alle tijd om te praten.”

Woodward en Bernstein zijn bezorgd, zo bleek op het symposium, over het gekeerde maatschappelijke tij. Journalisten zijn een groot deel van hun status kwijtgeraakt in de afgelopen veertig jaar. Volgens Bernstein heeft de polarisatie van de afgelopen jaren een klimaat van wantrouwen in de pers gecreëerd.

Tekenend is de controverse over een grote reconstructie in The New York Times over de geheime oorlog die president Obama voert in met name Jemen en Pakistan met onbemande vliegtuigen. Republikeinen beschuldigen Obama’s medewerkers van moedwillig lekken van staatsgeheimen aan een bevriende krant, en dringen aan op een onderzoek. Advocaat-generaal Eric Holder is hierop een onderzoek begonnen naar de manier waarop het lek tot stand is gekomen. Dat kan bedreigend zijn voor de journalisten die aan het verhaal hebben gewerkt, zei Woodward. „Goede verhalen komen tot stand omdat mensen die iets belangrijks weten, willen praten. Er worden elke dag staatsgeheimen gelekt uit het Witte Huis. Dat mag niet, maar dat is de pers niet aan te rekenen.”

Volgens hoogleraar Chris Daly staan journalisten onder veel grotere druk dan in de jaren zeventig. De overheid is vijandiger, er zijn persvoorlichters, en er is de constante druk om snel met iets te komen. „Het is een geweldige tijd om een corrupte politicus te zijn, want niemand komt er achter. En als een journalist wel iets ontdekt, dan wordt hij meteen uitgemaakt voor stroman van de politieke tegenstander.”

De twintigste-eeuwse rol van de journalistiek, de waakhond van de democratie, bestaat volgens Daly bijna niet meer. „Watergate is voor mijn studenten geschiedenis, iets als het oude Rome. Ze denken vaak dat informatie vrijelijk beschikbaar is, terwijl je juist moet zoeken naar de feiten die verborgen gehouden worden.”

Maar Daly wil niet te somber zijn, zegt hij. Internet heeft ook nieuwssites gebracht die in veel opzichten beter zijn dan The Washington Post in haar gloriejaren, zoals politico.com en talkingpointsmemo.com. „Die sites slagen erin met gedegen primeurs te komen, omdat ze zo goedkoop zijn. Politico kent een piepkleine gedrukte oplage en heeft daardoor bijna geen kosten aan een drukkerij, of bezorgers. Bij Politico volgen daardoor vijftig goede journalisten elke dag de politiek in Washington. Juist deze nieuwssites winnen de laatste tijd de spraakmakende prijzen.”

Politico had het afgelopen jaar spraakmakende primeurs, zoals het seksuele wangedrag van de Republikein Herman Cain. Daly: „Als de erfenis van Watergate ergens bewaard wordt, dan is het dáár.”