Wat Caesar niet mocht zien

Geschiedenis In België en Nederland zijn veel Keltische schatten gevonden. Die zijn ooit verstopt voor Caesar, denken historici nu.

Theo Toebosch

Autosave-File vom d-lab2/3 der AgfaPhoto GmbH

Archeologen moeten oppassen als ze hun vondsten aan historische gebeurtenissen koppelen. Dat weet ook Nico Roymans, hoogleraar Romeinse archeologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. “Vaak is de koppeling slecht onderbouwd, soms is die zelfs anachronistisch.” Toch durft hij het deze keer aan – samen met twee Belgische collega’s: Guido Creemers, conservator van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren en Simone Scheers, emeritus hoogleraar Keltische numismatiek aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Het drietal brengt acht Keltische munt- en goudschatten, die tussen 1984 en 2010 in België en Zuid-Nederland zijn ontdekt, in verband met de Gallische Oorlog tussen 58 en 51 voor Christus. “Julius Caesar roofde tijdens zijn veroveringstochten in Gallië grote hoeveelheden goud. Deze schatten zijn in die tijd begraven en door de Romeinen niet ontdekt.” Roymans en zijn collega’s stellen dat ze dankzij de muntschatten ook de locatie van het door Caesar veroverde oppidum (versterking) van de Aduatici, een van de door hem beschreven Gallische stammen, hebben ontdekt: “Het lag bij Thuin.” Daar zijn drie schatten gevonden.

De Belgisch-Nederlandse samenwerking kwam tot stand, nadat in 2008 op een akker bij Amby, een Maastrichtse wijk, 38 gouden en 74 zilveren Keltische munten waren gevonden, vertelt Roymans. “Toen zijn we de muntschatten die de afgelopen jaren in de regio waren ontdekt en nog nooit (goed) waren gepubliceerd in één publicatie gaan samenbrengen.” Terwijl de onderzoekers daarmee bezig waren, werd in 2010 bij Philippeville een nieuwe schat ontdekt. “Die publiceren we nu ook.” In het net verschenen Late Iron Age Gold Hoards from the Low Countries and the Caesarian Conquest of Northern Gaul.

In totaal zijn meer dan vijfhonderd munten en enkele sieraden gevonden. “Bijna allemaal door amateurs met metaaldetectors. Wij hebben bij hen de locaties en de vondst-omstandigheden achterhaald.”

De munten zijn schotelvormig en hebben op beide zijden afbeeldingen. “Voor de voor- en achterzijden zijn aparte muntstempels gebruikt,” legt Roymans uit. “Tijdens het slaan sleten die stempels. Dat is te zien aan de vager wordende afbeeldingen. Vergelijking van de afbeeldingen maakt het daardoor mogelijk een relatieve chronologie op te stellen.”

Die chronologie maakte duidelijk dat bij de acht schatten een vroege en een latere groep zijn te onderscheiden. “Bij de latere groep is nog wel zoveel overlap met de oudere groep dat we denken dat er niet meer dan tien jaar tussen de twee groepen zit.” Niet alleen de tijd verschilt, maar ook de plaats. “De oudere groep omvat de schatten van Fraire, Thuin en Philippeville en ligt in het vroegere territorium van de Aduatici en de Nerviërs. De locaties van de jongere groep komen overeen met het voormalige grondgebied van de Eburonen.”

Keltische munten hebben, anders dan Romeinse munten, geen afbeeldingen van consuls en keizers die het mogelijk maken om ze te dateren. “Toch hebben we de munten kunnen dateren,” zegt Roymans. “Het zelfde type munten is namelijk gevonden bij Alesia, waar Caesar in 52 voor Christus Vercingetorix, leider van de grote Gallische opstand in 53-52 v. C., heeft verslagen. Dat maakt het mogelijk om de vroege groep aan het begin van de jaren vijftig v. C. te dateren en de andere aan het eind van de jaren vijftig v. C., dus in de periode van de Gallische Oorlog.”

Aan de hand van het aantal gebruikte stempels maken de onderzoekers ook een schatting van het totale aantal gouden munten dat toen in het gebied in omloop was. “Door experimenteel onderzoek weten we dat met één stempel minstens duizend munten zijn te slaan. Met goud, dat zacht is, zelfs meer. We hebben op de munten de afbeeldingen van meer dan 220 verschillende stempels gevonden. Bij de Eburonen, Nerviërs en Aduatici waren dus zeker meer dan 220.000 munten in omloop.” In die munten zat bijna 600 kilo goud. “Waarschijnlijk gewonnen uit beekjes in de Ardennen en de Eifel.”

Dat goud zou een van de redenen zijn geweest voor Caesars verovering van Gallië. Roymans: “Suetonius (hoge ambtenaar en biograaf in de eerste en tweede eeuw, TT) schreef in zijn biografie van Caesar al dat Caesar heiligdommen en versterkingen plunderde. Hij nam uit Gallië zoveel goud mee dat na de verkoop de goudprijs in Italië sterk daalde.” Met het geld van de verkoop betaalde Caesar de legers waarmee hij zijn latere machtspositie in Rome kon veroveren.

Het benodigde geld verkreeg hij ook door onderworpen Gallische stammen als slaven te verkopen. Een van die stammen waren de Aduatici, die hij in 57 v. C. versloeg. In boek II van De Bello Gallico vertelt Caesar dat de Aduatici zich met hun hele bevolking van 53.000 mensen in een oppidum hadden teruggetrokken. De versterking had aan drie kanten steile hellingen en was alleen te bereiken via een ruim zestig meter brede natuurlijke toegang, waar de Aduatici een versterkte dubbele wal hadden opgetrokken. “Meerdere plekken zijn in de loop der jaren als de locatie van de versterking geopperd,” vertelt Roymans. “Ze vallen allemaal af, omdat ze bijvoorbeeld te oud zijn, of een tweehonderd meter brede toegang hebben.”

In het Bois du Grand Bon Dieu ten zuiden van Thuin is in de jaren tachtig behalve een eerste muntschat ook een oppidum met een wal ontdekt. “Niemand had hem tot nu toe nog met de Aduatici in verband gebracht,” zegt Roymans. “Maar alles klopt: de versterking ligt op een steile landtong omgeven door de Sambre en de Biesmelle, de toegang is zestig meter breed, er is een wal, die volgens C14-dateringen uit de periode tussen 90 vóór en 60 na Christus stamt, er zijn geen sporen van later (Romeins) gebruik en op twee plekken zijn Romeinse loden slingerkogels gevonden; op de wal en erbuiten, ter hoogte van waar Caesar een circumvallum, een wal om de vijand in te sluiten, had laten bouwen.”

De onderzoekers spreken voorlopig van een hypothese. “De plek ligt in een bos, dus een grote opgraving is lastig, maar door verder onderzoek willen we wel onze aanname toetsen.” Arjen Bosman, specialist in Romeinse oorlogsvoering en co-auteur van De rand van het Rijk, De Romeinen en de Lage Landen, vindt de hypothese al plausibel. “We zijn toevallig bezig met een Engelse vertaling van ons boek. De tekst over de Aduatici zullen we nu aanpassen.”

    • Theo Toebosch