Voor derde keeper is geen plek op het veld

De derde doelman is de ultieme reserve. Altijd bezig op topniveau, maar slechts zelden in de schijnwerpers. Niet iedereen kan zich schikken in die rol. „Een reserve moet positief blijven.”

Freek Schravesande

Op vrijdag 6 juni, een dag voor de aftrap van het EK 2008 in Oostenrijk en Zwitserland, is er nieuws uit het Poolse kamp. Derde keeper Tomasz Kuszczak loopt een rugblessure op bij de training. En omdat hij drie weken zal zijn uitgeschakeld, precies de duur van het toernooi, vraagt het team dat wordt getraind door Leo Beenhakker aan de UEFA of het snel nog een vervanger mag oproepen – met succes.

Was Kuszczak wel zo geblesseerd?

De rol van derde keeper, sluitpost der sluitposten, is niet op ieders lijf geschreven. De derde keeper hoort erbij, net als iedereen, en verschijnt dus ook op wedstrijddagen in trainingspak. Maar lopen zijn ploeggenoten richting kleedkamer, dan buigt de looppas van de derde doelman af richting tribune – hij mag de voorbereiding niet verstoren. Een plek in de coulissen waar hij het zweet niet ruiken zal. Dat is zijn lot.

Tomasz Kuszczak, destijds eerste reservedoelman bij Manchester United, vond dat hij voor zijn land moest spelen. De Nederlandse keeperstrainer Frans Hoek dacht daar tijdens het Poolse trainingskamp anders over en zette Boruc op één, Fabianski op twee en Kuszczak op drie.

„Zijn lichaamstaal, de wil om een bal te stoppen. Je zag aan alles dat hij er geen zin in had”, zegt Hoek, die vele topkeepers onder zijn hoede had. „Ik vroeg: ‘kun je genoegen nemen met de rol van reserve?’ Kuszczak wilde bedenktijd, speelde een spel. Wel, niet, wel, niet. Toen hebben we op het laatst nog een ander opgeroepen.”

Wereldkeeper Kuszczak miste één eigenschap die geen enkele speler mag ontberen, en dus ook een derde doelman niet: motivatie. „Zonder motivatie wordt het helemaal niets”, zegt Pim Doesburg, reservedoelman achter Jan Jongbloed en Piet Schrijvers op het WK in 1978 in Argentinië en misschien wel de beste ‘derde’ ooit.

„Een reserve moet positief blijven. Anders krijg je irritaties en wekt dat wrevel in de groep. Spelers merken het gauw genoeg als je op de training chagrijnig staat te keepen. Dan gaan ze je sarren, te kijk zetten met een lobje.”

En laat nu net de training de plek zijn waar de derde doelman moet gloriëren. Want een derde keeper, zegt Doesburg, heeft meer taken dan je denkt. „De eerste moet wedstrijdfit blijven en wordt dus ontzien. Het grove werk deden wij, de reserves. Trainen met geblesseerde spelers, trainen met jongens die niet goed in hun vel zaten. En eindeloos veel afwerken. Dan wilden de spitsen na de training nog een half uurtje voorzetten oefenen en moest jij blijven staan. Zeven dagen per week beulen. Zo ben ik heel wat kilo’s kwijtgeraakt.”

Je moet er het type voor zijn, zegt Doesburg. „Bloedfanatiek” en tegelijkertijd moet je je kunnen schikken in je rol. En, niet onbelangrijk: „Een goede derde keeper is er ook voor de sfeer in de groep”. Doelman Joop Hiele, naar eigen zeggen „wereldrecordhouder bankzitten”, was daar bedreven in. Die zweepte de EK-ploeg in 1988 vanaf de ontbijttafel zo naar de Europese titel.

Ook de goedlachse Doesburg is „net iets socialer” dan de gemiddelde doelman. Want keepers, beaamt hij, blijven Einzelgängers, alleen al omdat ze een andere trui aan hebben. „Gaat het goed, dan juich je in je eentje. Gaat het slecht, dan kijkt iedereen achterom. Dan gaat het met jóú slecht.”

Introvert, vriendelijk, plichtsgetrouw. Dat zijn de ideale eigenschappen voor een derde keeper, denkt sportpsycholoog Toon Damen, auteur van het boek Kopsterk over het motiveren van voetballers.

„Keepers zijn taakgericht, net als backs en buitenspelers. Ze houden van voorspelbare tactieken en een vaste positie. Een derde keeper moet het bovendien als zijn plicht zien de reserverol zo goed mogelijk uit te voeren. Dat betekent: hij moet zijn best doen, maar wel zijn plek kennen”, zegt Damen. „Goede derde keepers zijn uiterst betrouwbaar, tegen het saaie aan.”

In het huidige Nederlands elftal is ‘octopus’ Tim Krul (24) van Newcastle United de derde keeper, achter Maarten Stekelenburg (AS Roma) en Michel Vorm (Swansea City). Is hij de ideale derde?

Ron Hendriksen, voorzitter van de Haagse voetbalvereniging HVV-RAS, kan zich ‘Timmie’ als jongetje van zeven nog wel herinneren. Het was een „klein driftig poppie”.

Hendriksen, destijds coach van de F-jes, zag Krul binnenkomen als veldspeler. Toen de keeper van het team vertrok, meldde Krul zich aan, net als de zoon van Hendriksen. De trainer koos voor Krul.

Hendriksen: „Het gedrag van Tim was niet dermate dat hij een goede veldspeler kon worden. Ik heb hem weleens zien stampvoeten met twee benen omdat het niet ging zoals Timmetje wilde. Het was een stampijmakertje, een kribbebijter. Hij kon er niet tegen als hij op het veld voorbij gespeeld werd. Dus toen heb ik hem maar laten keepen, voordat hij enkele jongetjes zo het hek over zou gooien. Ik moest in het belang van de vereniging denken.”

Nu ziet Hendriksen in „die lange worst” een aardige, zachte jongen die rust uitstraalt. „Hij is ouder geworden en kan relativeren. Hij zal denken: mijn tijd komt nog wel.”

Belangrijk, zegt Frans Hoek, is dat de derde keeper altijd het gevoel heeft er volledig bij te horen. „Als keeperstrainer probeer ik zo min mogelijk onderscheid te maken tussen één, twee of drie. Er kan veel gebeuren in een toernooi en voor je het weet staat nummer drie erin. Dan moet het wel goed zitten tussen de oren.”

Dat was volgens Pim Doesburg het geheim van het WK ’78. Ze moesten het met z’n allen doen. Dat gevoel had hij ook, de derde doelman van Oranje. Het maakte de pijn die het deed om zijn team te moeten bekijken vanaf de tribune – „daar heb je anderhalf uur last van” – draaglijk. „Je wist: daarna ben ik weer één van de 23.”

    • Freek Schravesande